Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koop - (bruine kiekendief]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kopen ww. ‘door betaling verwerven’
Onl. kōpon ‘kopen’ in de afleiding *kōpink ‘koopwaar’, op grond van de glosse copunoa (lees copunga) [9e-10e eeuw; ONW], in de samenstelling kōpman ‘koopman’, met assimilatie mp > m als toenaam van Gerardus Coman [1150; Debrabandere 2003], met verhoogduitste -p- in ther uns mit sineme blote solte koufen ‘die ons met zijn bloed zou vrijkopen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. copen ‘door betaling verwerven’ in cocht ik uijf ... ‘kocht ik vijf ...’ [1220-40; VMNW].
Kopen gaat terug op een ontlening aan Latijn caupō (genitief caupōnis) ‘kleine handelaar, venter, sjacheraar, kroegbaas’, dat mogelijk evenals Grieks kápēlos ‘id.’ ontleend is aan een niet-Indo-Europese taal. Het zeer vroeg in het Germaans ontleende zn. verschijnt als Oudhoogduits koufo ‘handelaar, sjacheraar’ en Oudengels cȳpa ‘id.’. De Germaanse werkwoorden zijn wrsch. daarvan afgeleid. Kluge veronderstelt daarentegen rechtstreekse ontlening aan het Latijnse afgeleide werkwoord caupōnāri ‘venten, sjacheren’, maar dat woord was zeldzaam en heeft bovendien een afwijkende betekenis.
Zo ook: os. kōpian; ohd. koufōn (nhd. kaufen); ofri. kāpia (nfri. keapje, zie → kapen) oe. cēapian; on. kaupa (nzw. köpa); got. kaupōn; alle ‘kopen’. Hiervan afgeleid is het zn. koop (zie onder) en verder: os. kōp; ohd. kouf (nhd. Kauf); oe. cēap (me. chep, chepe ‘koopje; het afdingen’; ne. (bn.) cheap ‘goedkoop’); ofri. kāp (nfri. keap); on. kaup.
De verleden tijd van dit werkwoord (mnl. cochte, nnl. kocht) vertoont de zeer oude overgang -pt- > -ft- (Primärberührung, zie → bruiloft) en vervolgens -ft- > -cht- (zie → achter). Ook dit is een bewijs van de hoge ouderdom van het leenwoord. De verleden tijd en het voltooid deelwoord met ft (gekoft) werden nog begin 17e eeuw gebruikt.
koop zn. ‘het kopen’. Onl. coop (glosse) ‘koop, transactie’ [1183; ONW]; mnl. cope, coep ‘aanschaf, transactie; prijs; gekocht goed’ in te cope ‘te koop; om verkocht te worden’ [1240; VMNW]. Afgeleid van het werkwoord kopen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koop* [bruine kiekendief] {1786-1793, vgl. cobe [wouw] (vermoedelijk gesproken met bb) 1485} vgl. middelnederlands cob(b)e [bolvormige verhevenheid], middelnederduits kob, hoogduits Kubbe, Kuppe, engels cob, westvlaams kuif [kop van vogel, bol van hoed, in verscheidene dialecten benaming voor dieren (vooral vogels) met kuif] → kobbe1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koop znw. m., mnl. coop m. ‘handel, koop, koopprijs, koopwaar’, os. kōp ‘handel, koop, koopprijs’, ohd. chouf ‘koop, koopprijs, koopwaar, ruil’ (nhd. kauf), ofri. kāp ‘koop, koopprijs’, oe. cēap ‘handel, koopwaar, bezit, vee’ (vgl. ne. cheap voor good cheap ‘goedkoop’), on. kaup o. ‘handel, betaling, prijs, ruil’. — Verbaalabstract van kopen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koop znw., mnl. coop m. “handel, koop, verkoop, koopprijs, koopwaar”. = ohd. chouf m. “id., ruil” (nhd. kauf), os. kôp m. “handel, koop, koopprijs”, ofri. kâp m.”id.”, ags. cêap m. “id., waar, bezit, vee” (eng. cheap voor good cheap “goed-koop”), on. kaup o. “handel, betaling, prijs, ruil, het gekochte”. Verbaalnomen bij kopen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koop. Voor kopen (ko[o]pen) is wegens het ontbreken van umlautsvormen in oostel. diall. identiteit met de sub 1. genoemde ww. het waarschijnlijkst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koop m., Mnl. coop, Os. kôp + Ohd. kouf (Nhd. kauf), Ags. céap (Eng. cheap = goedkoop), Ofri. káp, On. kaup (Zw. köp, De. kjøb), nw. uit koopen, Mnl. copen, Os. côpon en côpian + Ohd. koufôn en koufen (Mhd. id., Nhd. kaufen), Ags. céapian, ciepan, On. kaupa, Go. kaupon, alle van *kaupo, Ohd. koufo = koopman, uit Lat. caupo = kramer. — Osl. en Ru. kupiti, Finn. kauppata, Hong. kupecz zijn aan ’t Germ. ontleend.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1240. Koop geven,

d.w.z. in eigenlijken zin: iets voor minder prijs geven dan men eerst gevraagd heeft; den koop laten doorgaan, den geboden prijs aannemen, en van daar bij overdracht: toegeven, de minste zijn; fri. keap jean, den koop toeslaan, fig. toegeven, den strijd opgeven. De uitdrukking is elliptisch en luidde oorspronkelijk iets beter koop geven, zooals blijkt uit Sart. II, 5, 16: al buldert hy hooch, hy sal noch beter koop geven; Pers, 720 a: Hier nae gaven de Groningers beter koop; Lichte Wigger, 15 r; Pasquilm. 16 (beter koop bieden); Winschooten, 121: Beter koop geven beteekend oneigendlijk geseggelijker sijn; beeter aan de hand gaan. Vgl. eng. cheap, goedkoop, ellipt. voor good cheap; verder Mnl. Wdb. IV, 1839-1840; Van Moerk. 65; Kluchtspel III, 280; Huygens, V, 93:

En 't lykent oock wel rede,
Dat man en vrouw somtijds iens vallen over hoop,
En grommelen en poos, en geve dan weer koop.

Sewel, 409: Koop geeven, to yield, to give way; Halma, 280: Koop geeven, relâcher de sa prétention, mettre de de l'eau dans son vin; Tuinman, I, 115; 136; Willem Leevend I, 324; Harreb. I, 434.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut