Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koolmees - (zangvogel (Parus major))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

koolmees zn. ‘zangvogel (Parus major)’
Vnnl. coolmeese [1567; Nomenclator, 69b].
Samenstelling van → kool 2 ‘mineraal’ en → mees, zo genoemd naar de zwarte kap van deze vogel.
Mhd. kolemeise ‘koolmees’ (nhd. Kohlmeise); oe. colmāse ‘zwarte mees’ (ne. vero. cole-mouse, naast coal tit).
Lit.: Eigenhuis 2004, 298-299

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koolmees* [vogel] {1567} van kool2 + mees; de vogel is deels zwart gekleurd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

keeskijt, keesmees, kezenmees, keesmus(ke), kezenmus(ke), zn.: zwarte mees, koolmees, Parus ater. Vgl. Br. keeskeut, een synoniem van keesmees ‘koolmees, Parus major’. Volgens het WNT VII, 758 is keesmees een variant van kaasmees: een gevangen mees kon men jonge kaas voeren. Vgl. Ndd. kesemeseke ‘soort mees’, Rijnl. Käsemeise ‘koolmees’, D. Käsemeischen ‘pimpelmees’. In het Limburgs stemt de ee (ië) van de vogelnaam overeen met de ee van kees ‘kaas’. De Cubber 124 ziet in kees vooral een klanknabootsende naam, maar dat blijkt ornithologisch uitgesloten (med. K. Eigenhuis). Joep Kruijsen (Huldealbum Hugo Ryckeboer, 2000, 74) ziet in het eerste lid de Keltisch geromaniseerde eiknaam cassanus, aangezien de oorspronkelijke habitat van de koolmees de eik en het eikenbos zijn. Zie ook kijt.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

keespreut, zn.: pimpelmees; koolmees. Contaminatie van keesmees en preut. Volgens Eigenhuis (med.) moet kees- hier als neuk- worden begrepen.

keesmees, kezemees, keeskeut, keespook, zn.: koolmees, Parus major; (ook wel) pimpelmees. Volgens het WNT VII, 758 is keesmees een variant van kaasmees: een gevangen mees kon men jonge kaas voeren. Vgl. Ndd. kesemeseke ‘soort mees’, D. Käsemeischen ‘pimpelmees’. Het WNT citeert de zegswijze zoo zot als een kezemees uit Loquela als West-Vlaams, maar Gezelle heeft de zegswijze in de buurt van Asse (Vlaams-Brabant) opgetekend. Blijkens J. Winkler (Loquela) heet de vogel in de omstreken van Haarlem en Alkmaar korstje-kaas. Gezelle geeft ook de uitspraak kèzemeze. Het WVD geeft de vormen kieëze (Zele), kjaesmees (Hulst), kjesmus(se) (Hulst). In tegenstelling tot de Brabantse hebben de Vlaamse dialecten - ook het Wase - de uitspraak kaas, koas en niet kees. Wellicht heeft het Waasland de vorm keesmees aan het naburige Brabants ontleend. Er zijn Ovl. varianten met keers, kers, bv. keersmus, kersmus, keersgat; die kunnen uiteraard hypercorrect zijn, maar eventueel ook de oorspronkelijke vorm. Dan is kees het resultaat van assimilatie uit keers, kers ‘kers’. Maar de mees is niet bepaald kerseneter. Daarom denkt Eigenhuis veeleer aan keers ‘kaars’. Aangezien mezen vet eten, kunnen vetkaarsen bij veldkapelletjes een voedselbron zijn geweest. Hij vergelijkt met Fries (Sylt) tualighaker. Mogelijk lijkt kees ‘pit’, aangezien mezen in het winterseizoen graag zaden eten, b.v. zonnepitten. Maar kees(mees) heeft een zachtlange e en kees(t) een scherplange. De Cubber 124 ziet in kees vooral een klanknabootsende naam, maar dat blijkt ornithologisch uitgesloten (med. K. Eigenhuis). Joep Kruijsen (Huldealbum Hugo Ryckeboer, 2000, 74) ziet in het eerste lid de Keltisch geromaniseerde eiknaam cassanus.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kjaasmees, kjesmusse, kezemees, kezemus zn.: koolmees, Parus major. Ovl. varianten zijn: kees, keze, keesmees, kezemees, keesmus, kezemus, kee(r)smus, kersmus. Volgens het WNT VII, 758 is keesmees een variant van kaasmees: een gevangen mees kon men jonge kaas voeren. Vgl. Ndd. kesemeseke ‘soort mees’, D. Käsemeischen ‘pimpelmees’. Het WNT citeert de zegswijze zoo zot als een kezemees uit Loquela als West-Vlaams, maar Gezelle heeft de zegswijze in de buurt van Asse (Vlaams-Brabant) opgetekend. Blijkens J. Winkler (Loquela) heet de vogel in de omstreken van Haarlem en Alkmaar korstje-kaas. Gezelle geeft ook de uitspraak kèzemeze. De Vlaamse dialecten – ook het Wase – hebben de uitspraak kaas, koas en niet kees. Bovenstaande kees-namen lijken dus moeilijk met kaas in verband te worden gebracht. De varianten met keers, kers kunnen uiteraard hypercorrect zijn, maar eventueel ook de oorspronkelijke. Dan is kees het resultaat van assimilatie uit keers, kers. Maar de mees is niet bepaald kerseneter. De Cubber 124 ziet in kees vooral een klanknabootsende naam.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kees (SN, W), keze (L), keesmees, kezemees (Erembodegem, H), keesmus, kezemus (Dender, H, W), kee(r)smus (W), kersmus (Doel), kee(r)sgat (W), keesboer (SN), keespieper (Zele), koolkeesje (Waasmunster), zn.: koolmees, Parus major. Ook dubbele kees(mus), dubbele mees, dubbel keesgat. Ook pimpelkees (L) 'pimpelmees'. Verder kee(r)sgat (Dd, W), keeskutje (Dd), keesmus, kezemus (Dender, H, W) ‘mees’. Volgens het WNT VII, 758 is keesmees een variant van kaasmees: een gevangen mees kon men jonge kaas voeren. Vgl. Ndd. kesemeseke 'soort mees', D. Käsemeischen 'pimpelmees'. Het WNT citeert de zegswijze zoo zot als een kezemees uit Loquela als West-Vlaams, maar Gezelle heeft de zegswijze in de buurt van Asse (Vlaams-Brabant) opgetekend. Blijkens J. Winkler (Loquela) heet de vogel in de omstreken van Haarlem en Alkmaar korstje-kaas. Gezelle geeft ook de uitspraak kèzemeze. Het WVD geeft de vormen kieëze (Zele), kjaesmees (H), kjesmus(se) (H). De Vlaamse dialecten - ook het Wase - hebben de uitspraak kaas, koas en niet kees. Bovenstaande kees-namen lijken dus moeilijk met kaas in verband te worden gebracht. De varianten met keers, kers kunnen uiteraard hypercorrect zijn, maar eventueel ook de oorspronkelijke. Dan is kees het resultaat van assimilatie uit keers, kers. Maar de mees is niet bepaald kerseneter. De Cubber 124 ziet in kees vooral een klanknabootsende naam.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

KOOLMEESParus major
Duits Kohlmeise
Engels Great Tit
Frans Mésange charbonnière
Fries Blokfink
Betekenis wetenschappelijke naam: grotere ‘Parus’. De Koolmees is een van de meest algemene vogelsoorten in ons land. Zijn kleurrijke verenkleed, het winterse bezoek aan onze tuinen en niet in de laatste plaats de gevarieerde zang, maken hem tot een alom bekende vogel. De etymologie van ‘mees’ is niet geheel zeker. Het element ‘kool’ houdt verband met de kleur van kop en hals; deze hebben de blauwzwarte tint van steenkool. Vergelijkbaar zijn de namen Brandmees, Swartkopke (Fr), Koalmieske (Fr), Kapmies (Fr), Koelder (ONB) en Swartkopke-didyt (Fr). In deze laatste naam is het element ‘didyt’ klanknabootsend gevormd. Voorts komt de ‘kaas’geel gekleurde onderzijde naar voren in Gielboarske (Fr), Kaasmees (Lb), Keesmees (Lb), Kezemees (Vla) en in Kjêsmus(se) (ZVl). Opvallend zijn ook de witte wangen; verwoord in Stiselkop(ke) (ZwF) = ‘stijfselkopje’ en Ossenbolleke (Vla). Het forse formaat – het is onze grootste mees – wordt benadrukt in Grote Mees, Dubbele Mees (Maa, NB) en Dubbele Plakker. Laatstgenoemde naam kan, evenals Plakker (Haa) en Gevlekte Plakker, duiden op de welhaast acrobatische wijze waarop de vogel zich, ondersteboven hangend aan een tak of opgehangen zaadbol, vastkleeft. Een andere opvatting is dat ‘plakker’ werd afgeleid van ‘plakkaard’ = ‘de gevlekte’, dit vanwege het opmerkelijk geel, wit en zwart gekleurde patroon van z’n verenkleed. De laatste naam is dan eigenlijk een pleonasme. Blokmees (Vla) lijkt afkomstig te zijn van het Vlaamse ‘blokken’, een woord dat onder meer plakken en kleven betekent. Dit is overigens in tegenstelling tot de betekenis van de vrijwel identieke Friese naam, waarin de blokvormige tekening van de kop tot uitdrukking wordt gebracht. Het Groningse Spekmaiske hangt samen met het spekzwoerd dat men vooral vroeger ‘s winters buiten ophing en waarmee de Koolmees zijn vetreserve aanvulde. Dikwijls wordt hij ook kortweg Mees genoemd. Zijn naam Smidje geeft de vinnige bewegingen van het kopje weer, als hij met zijn scherpe snavel inhakt op zaden. Het is alsof een smid hamert op z’n aambeeld. Bovendien zullen de heldere tonen van de Koolmees die soms lijken op de geluiden die in een smidse worden voortgebracht, de naam mede hebben beïnvloed. Naar zijn zang kreeg hij de naam Vinkmees, alsmede de schertsnamen Fietspomp, Scharesliep, Spindikke en Schiet-in’t-vuur (Ach, Lb, Riv). In de winter is de Koolmees weleens te vinden in de buurt van bijenschuren waar hij aast op dode bijen die door werkbijen buiten de korf worden gebracht. Om levende bijen te lokken tikt hij met de snavel in de buurt van het vlieggat op de korfwand. De hierdoor verstoorde bijen vliegen naar buiten en vormen zo een gemakkelijke prooi voor de mees. Talloos zijn de volksnamen afkomstig van deze manier van fourageren: Bijmees (Gd, NB), Biebijter (Kem), Biediefke (NB), Biemeze (Ach, Twe), Beejepiet (MLb), Biemeeske (ONB), Biejmöske (MLb), Bijenvretertje (Ut), Bijenvretertien (Dr), Bybiter(ke) (Fr), Biemus(ke) (Kem, Lb, Vla), Bimös (Lb), Biemeeuwis (WNB) en Bieteut (Vla). De oudere naam voor de honingbij ‘ieme’ herkennen we in Iembiter (Gr), Iempikkertje (Gr) en Iempikkertien (Dr). In de Kempische naam Biemukske verwijst ‘mukske’ (van ‘mook’ = koeiemaag) naar de welgedaan uitziende gevulde maag van de Koolmees nadat hij zich te goed heeft gedaan aan een maaltje bijen. Ten aanzien van andere vogelsoorten kan de Koolmees zich nogal agressief gedragen; in Spanje noemt men hem daarom Guerrera, een volksnaam die krijger en twistzoeker betekent. Onduidelijk is de achtergrond van de streeknamen Bouwmeeske (Lij) en Kriereker (ONB) – een naam voor het mannetje van de Koolmees. Kriereker kan aan het Franse crier zijn ontleend en aldus ‘luidkeelszanger’ betekenen.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Koolmees Parus major Linnaeus 1758. Het eerste element in de naam voor deze bekendste onder de Mezen staat voor ‘(steen)kool’ in verband met de koolzwarte veerpartijen op de kop en de borst. Echter, ook andere, maar minder bekende Mezensoorten hebben zoiets, en daardoor kon het gebeuren dat E Coal Tit thans de officiële E naam is voor de Zwarte Mees Parus ater, en niet voor de Koolmees (deze heet Great Tit). D Kohlmeise = ‘Koolmees’. F Mésange charbonnière (= Koolmees) is naar betekenis hetzelfde.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS N Koolmees KOLEN-MEESE. J. BRAND-MEESE. Parus ater. sax. kalmeseke.” (VK c.1618 p.265) en “KOOLMEESE. Parus maior, fringillago. i. kolenmeese” (idem p.267) Coolmese, coolmees [MH], maar ws. toch geen oudere vindplaats dan bij Junius 1567 [Sijs 2001] (en dan is er niet meer van mnl sprake).
D Kohlmeise kolmeis (15e eeuw [Suolahti]); E Coalmouse (volksnaam voor verschillende Mezen, bijv. Coalmouse ‘Zwarte Mees’ (1829) Cole Mouse (Pennant 1768)) colmose <oudengels colmāse [Lockwood]; de naam heeft dus in Engeland zijn oudste vindplaats.
[Wat met Parus ater (letterlijk ‘zwarte Mees’) destijds werd aangeduid, is niet zeker. Juist “Parus ater Kolmeiß” op Tab.44 in Jonston 1660 is zo mager afgebeeld dat de soort niet te bepalen valt. Wél herkenbaar zijn hier: 1. “Parus Ceruleus minor Blaw meiß” (Pimpelmees), 2. “Parus Major Spiegelmaß Brandmeiß” (Koolmees), 3. “Parus sylvaticus Waldmeiß” (Zwarte Mees), 4. “Parus Palustris Kolmeiß Aeschmeiß” (‘Zwartkopmees’, dus Glanskop en/of Matkop) en verder de Kuifmees en de Staartmees.]
Houttuyn 1763 verduidelijkt de situatie wel enigszins; Linnaeus’ 2e Mees, Parus major, geeft hij weer met Plakker ↑, Linnaeus’ 5e Mees, Parus ater, met Zwartkop[mees], en Linnaeus’ 6e Mees, Parus palustris, met Riet-Mees. In de tekst vinden we, sub Plakker: “Dit is onze gemeene groote Mees, dien men in ’t Fransch Charbonnière, in ’t Engelsch Oxeije, dat is Ossen-Oog, in ’t Hoogduitsch Spiegel-meiss en Brandt-meiss, of ook Kohlmeiss, dat is Koolmees, doch eigentlyk Kole-Mees, wegens zyn Kop, zo zwart als Houtskolen, noemt. Wy geeven ’er den naam van Plakker aan, of noemen hem Mees by uitmuntendheid en groote Mees, gelyk in ’t Engelsch, Fransch en Hoogduitsch, ook gebruikelyk is. Men vindt hem ook Fringillago getyteld, misschien om dat hy de Vinken aanlokt, door zyn Geluid, ’t welk eenigermaate zweemt naar het Geroep der Vinken.”
ETYMOLOGIE N (steen)kool kole [VK] cole; fries koal kole; D Kohle kol(o); E coal col; noors kull, zweeds kol kol. kula(n) ‘houtskool’. Oudiers gual ‘kool’. Horatius (65-8 v.Chr.) kende de brandstof (houts)kool onder de naam Lat carbo. Dit woord wordt etymologisch niet als verwant beschouwd. Oudindisch jvalati ‘hij gloeit, branden’ wel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koolmees* zangvogel 1567 [WNT plakker II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal