Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kool - in bv. de uitdrukking het is allemaal kool

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kool3 in bv. de uitdrukking het is allemaal kool [het is allemaal onzin] {1781} vermoedelijk < jiddisch cholem [droom] < hebreeuws ḥalōm [droom]. Voor het taalgevoel werd het woord gezien als kool1.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1239. Het is allemaal kool,

d.w.z. het is allemaal maar gekheid; ook wel apekool, eene versterking van kool door bijvoeging van aap, waaraan mede het denkbeeld van dwaas, gek, valsch, bedrieglijk is verbonden; Ndl. Wdb. II, 532 en no 88. In de 18de eeuw komt het znw. kool in dezen zin voor bij Halma, 280, die het vertaalt door raillerie en citeert: Ik zeg het maar om de kool, je ne le dis que pour rire; hij verkoopt u kool, il se raille de vous; vgl. ook Sewel, 408: Het is maar om de kool, het is maar om te lachen; Langendijk, Wederz. Huwelijksbedrog, vs. 2122; Handelingen der Staten-Gen. 1913, p. 2568: Wat is het dan een kool die men verkoopt; Nkr. III, 4 Febr. p. 6: Of ze onzen secretaris Van Erkel of Kolthek doopen, 't zijn geniale lui in het kool verkoopen. Hiernaast komt in de 17de eeuw voor een wkw. kolen, gekscheren, dat wordt aangetroffen in de Klucht v.d. Pasquil-maecker. 15: 'k Mach onder 't lachen en kolen altemets wel een duveltje mengenAangehaald door Oudemans III, 462., waarmede wellicht te vergelijken is het hd. kohlen, viel durcheinander sprechen ohne Absicht und ZusammenhangKluge, Studentensprache, 101; Grimm V, 1581 en vgl. ook Eckart, 278 a en Wander II, 1457: Me wêt nicht recht, of me met em in'n Kaule of in'n Röwen (rapen) is, ob Scherz oder Ernst., en het oostfri. kôlen, dummes Zeug machen oder schwatsen, faseln (Ten Doornk. Koolm. II, 321), dat aldaar naast kôl maken of proten bekend is, hetzelfde als in de studententaal Kohl machen, unnütze Weitläufigkeiten im Vortrag machen.

Hoe kool deze beteekenis gekregen heeft, is niet met zekerheid te zeggen. Het is mogelijk, dat we moeten uitgaan van kool in den zin van iets van weinig waarde, waaruit zich de bet. onzin, gekheid kan hebben ontwikkeld (vgl. no. 88; 1017), eene meening, die gesteund wordt door de in de Rijnprovincie gebruikelijke zegswijze 't is kappes (kabuiskool), het is onzin, en het eng. it is all gammon and spinach, eig. gerookte ham en spinazieGrimm V, 1581 meent, dat kool deze beteekenis heeft gekregen door den invloed van het lat. crambe repetita (Juvenalis 7, 154), opgewarmde kool (choux réchauffés), opgewarmde hutspot (Van Effen, Spect. VII, 216), oude kost, onbeduidende dingen, onzin, gekheid, eene verklaring, die mij niet zeer waarschijnlijk voorkomt. Indien men den oorsprong in het Latijn wil zoeken, zou ik eerder geneigd zijn te denken aan carbonem pro thesauro invenire; doch waarschijnlijk komt me ook dit niet voor.. J. Meier, Hallische Studentensprache, 12 denkt aan het Hebreeuwsche kol, stem, geluid, dat in de dieventaal ook list, bedrog beteekent. Vandaar in het hd. kohl reiszen, liegen; kohl machen, voorliegen; kohlen, liegen; ankohlen, beliegen; seinen kohl mit einem haben, den spot met iemand drijven; sich ver kohlen lassen, zich laten beetnemen. Zie ook Stumme, Ueber die deutsche Gaunersprache, 14; Kluge, Rotwelsch, 431: Kohl machen, unnötige Worte machen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut