Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kool - (verkoolde materie, steenkool)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kool 2 zn. ‘fossiele brandstof’
Onl. misschien in de plaatsnaam Coluuidum ‘Koudum (Friesland)’ [eind 9e eeuw; Künzel], letterlijk ‘kolenbos’ (voor het maken van houtskool); mnl. kole ‘steenkool’ [1240; Bern.], donghelt van den toruen & van den fasselen & van den colen ‘accijns op turf en brandhout en steenkool’ [1288-1301; VMNW].
Mnd. kole; ohd. kolo (m.), kol (nhd. Kohle); ofri. kole (nfri. koal); oe. col (ne. coal); on. kol (nzw. kol); alle ‘houtskool, steenkool’, < pgm. *kula-.
Wrsch. verwant met: Oudiers gúal ‘houtskool’ en misschien Sanskrit jvālá- ‘vlam, kool’, jválati ‘branden’; Litouws žvìlti ‘glanzen, flonkeren’; bij de wortel pie. *gwelH- ‘branden, gloeien’ (LIV 170, IEW 479).
koolstof zn. ‘scheikundig element (C)’. Nnl. kool-stof [1787; WNT Supp. assimileeren]. Samenstelling van kool en → stof 2. Koolstof is het hoofdbestanddeel van kool.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kool2* [verkoolde materie, steenkool] {cole 1254} middelnederduits, oudfries kole, oudhoogduits kolo, oudengels col, oudnoors kol; buiten het germ. oudiers gúal [kool], oudindisch jvalati [hij gloeit]. De uitdrukking vurige kolen op iemands hoofd stapelen is ontleend aan Spreuken 25:22.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kool 1 znw. v. ‘brandstof’, mnl. cōle v., mnd. kōle v., ohd. cholo m. (nhd. kohle v.), ofri. kole v. naast ohd. chol, oe. col (ne. coal), on. kol o. — Hetzij bij oi. jvalati ‘branden’, oiers gúal (< *goulo) ‘kool’ (IEW 399), hetzij bij de groep van koel; dit hangt er van af of men met dit woord oudtijds de gloeiende dan wel de uitgebluste kool aanduidde (W. Schulze KZ 56, 1929, 141).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kool I (brandstof), mnl. cōle (v. m.?). = ohd. cholo m. (nhd. kohle v.), mnd. kōle v., ofri. kole v. “kool”, waarnaast ohd. chol, ags. col (eng. coal), on. kol o. “id.”. On. kola v. beteekent “lamp”. Verwant met. ier. gual “kool”, volgens sommigen verder met oi. jvárati, jválati “hij gloeit, is koortsig” met idg. ĝ (vgl. echter koorts), volgens anderen (niet wsch.) met arm. krak “vuur, gloeiende kolen, kolenvuur” (opgevat als afl. van idg. * gu-ro- naast *gu-lo-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kool I (brandstof). Men heeft dit woord wel willen zien in de uitdr. het is kool: Nauta Tschr. 36, 39. Voor het tegenwoordige taalgevoel is dit echter kool II, evenzo hd. kohl ‘onzin’ (vgl. rijnl. kapper reden ‘onzin praten’, zie kappertjeskool) en misschien is dit wel ospr. Afl. uit hebr. qol ‘stem, spraak’ via de studententaal (Littmann Morgenl. W. 49) is zeer onzeker. Zie nog † apekool Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kool 2 v. (zweer), hetz. als kool 1., wegens de zwarte kleur; cf. anthrax.

kool 1 v. (brandstof), Mnl. cole + Ohd. kolo (Mhd. kole, Nhd. kohle); daarnevens Ohd. kol, Ags. col (Eng. coal), On. kol (Zw. kol, De. kul) + Oier. gual = kool.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Vurige kolen op iemands hoofd stapelen of hopen, een persoon door wie men vijandig bejegend is beschaamd maken door hem goed te doen.

Deze verbinding was al een figuurlijke uitdrukking in de bijbel, en komt uit Spreuken 25:21-22: 'Indien uw vijand honger heeft, geef hem brood te eten, / indien hij dorst heeft, geef hem water te drinken; / want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd' (NBG-vertaling). Het beeld moet zo begrepen worden, dat de schaamte die iemand voelt, als hij door degene die hij haat met vriendelijkheid wordt tegemoetgetreden, als een fysieke marteling beleefd wordt.

Leuvense Bijbel (1548), Spreuken 25:21-22. Eest dat v viant hongher heeft soo spijst hem, eest dat hy dorst heeft soe gheeft hem water te drincken, want ghy sult vierighe colen vergaderen op sijn hooft (Statenvertaling (1637): hoopen i.p.v. vergaderen.)
Ik wou me afvragen wat overwegend in me was: de wil haar te geloven of de toeleg, kolen vuurs op haar hoofd te stapelen door te doen alsof ik haar geloofde. (A. Blaman, Eenzaam avontuur, 1995 (1948), p. 115)
Met deze woorden [niet te kopen 'bij die jonge blaag die nog maar pas komt kijken'] trachtte hij [K. van het Reve tijdens een schrijversmarkt in de Bijenkorf] mijn verkoop ongunstig te beïnvloeden terwijl ik, op mijn beurt, vurige kolen op zijn hoofd hopend, iedereen juist aanried zijn rede tegen de literatuurwetenschap te kopen. (M. $t Hart in NRC, 31-5-1979)
Kort na dit handelingsgedeelte vindt Marij een fles met een ontroerende liefdesbrief van Enno erin. Vurige kolen op haar hoofd! (Brabants Nieuwsblad, 15-2-1979)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kool ‘verkoolde materie, steenkool’ -> Negerhollands kool, kōl ‘verkoolde materie, houtskool’; Sranantongo koro ‘verkoolde materie’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) coal ‘houtskool’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kool* verkoolde materie, steenkool 1240 [VMNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1236. Op heete (of gloeiende) kolen zitten (of staan),

d.w.z. ongeduldig, ongedurig zitten (of staan); telkens heen en weer schuiven, als teeken van ongeduld, gewoonlijk wanneer men in afwachting van iets isZie eene voorstelling hiervan bij Breughel no. 47. Seiler, 248 denkt aan de straf van iemand met naakte voeten op gloeiende kolen te zetten, teneinde de waarheid te vernemen.. Vgl. Sartorius IV, 15: haest u niet, ghy sit op gheen heete colen; Hooft, Brieven, 184; 403 en 431; Poirters, Mask. 41; Huygens, Hofw. 609; Paffenr. 197; C. Wildsch. III, 22; Van Effen, Spect. IV, 19; Halma, 280; Sewel, 409; Harreb. I, 430; Antw. Idiot. 1834; Teirl. II, 165; Waasch Idiot. 764 en Joos, 101. Synonieme uitdrukkingen zijn: op destels zitten; op netels zitten (De Bo, 226; 737; Eckart, 485); op heete doornen staan (Rutten, 217 a); op heete steenen gaan (Antw. Idiot. 1177); op een hekel zitten (Antw.); op heet ijzer staan (of zitten) of op 'n heet ijzer staan, buitengewoon ongeduldig zijn, ook in een zeer neteligen toestand verkeeren (Teirl. II, 71); op knipnagels zitten (Harreb. III, LXXXIX a en Molema, 211 a); Villiers, 65. Te vergelijken is eene uitdr. als de grond brandt onder zijne voeten (hd. ihm brennt der Boden unter den Füszen; fr. les pieds lui brûlent), om aan te duiden, dat iemand ergens niet wil blijven, er vandaan wil, of er zich althans niet thuis of op zijn gemak gevoelt (Ndl. Wdb. V, 1093). Vgl. fr. être sur des charbons ardents, des épines, la braise; hd. wie auf (glühenden) Kohlen sitzen (oder stehen); oostfri. hê steid up gleinige kölen; fri. hy sit op hjitte koallen; eng. to be on tenter-hooks, on pins and needles; to be on thorns, on brambles (Prick, 60); to sit on hot plates.

1238. Iets met een zwarte kool teekenen,

d.w.z. iets leelijk, zwart afschilderen, van iets een afschrikwekkende voorstelling geven; zwart is de kleur van al wat leelijk en slecht is; vgl lat. dies ater, ongeluksdag, carbone (zwarte kool) notare aliquid, waarvan onze uitdr. eene navolging zijn kan. Zie verder Hoogvliet, Abraham: Wanneer hij d'ondeugt met een zwarte kole maalt (aangehaald door Weiland), en Van Baerle in een brief aan P.C. Hooft: Ick ben beschroomt aen u Ed. int Nederduytsch te schrijven: vreesende met de swarte kool een streeck te krijgen ende door de spiesse van u geswint ende gescherpt oordeel te moeten danssenOud-Holland, 1888, bl. 88; Navorscher, 1880, bl. 30.; Huygens I, 151: Soo moet hy wat hy doet sien maelen met de koöl (ongunstig beoordeeld zien); Tuinman II, 203: Ymand met een zwarte kool tekenen. Dit is het Latynsche atro carbone notare; Nkr. V, 12 Febr. p. 6: En ik wed: bij 't kaartjes teek'nen straks op school, teekent ge de Maasstad met een zwarte kool. Hierbij behoort ook de uitdr. met een zwarte kool aangeteekend staan, d.i. slecht, te kwader naam en faam bekend staan (zie o.a. Nkr. VII, 26 April, p. 5: Dit jaar staat aangeteekend met een zwarte kool), in het zwarte boek (eng. the black book), in het ‘verdomboekje’ staan; zie no 273; Ndl. Wdb. III, 104 en vgl. to mark black.

1237. Vurige kolen op iemands hoofd hoopen (of stapelen),

ontleend aan den Bijbel, n.l. aan Spreuken XXV, 22: Want ghy sult vyerige kolen op sijn hooft hoopen: ende de Heere sal 't u vergelden; met de kantteekening: ghy sult hem daer toe dryven, dat hy de vyantschap, die hy tegens u heeft, haest van hem werpe; gelijck yemant die gloeyende kolen op 't hooft gelecht souden werden, de selve terstont soude afschudden. Ofte, ghy sult sijn herte vermorwen, ende gedweech maken, dat hy van sijn ongelijck overtuycht sal sijn, gelijck de Smeden het yser met gloeyende kolen vermorwen. Vgl. ook Rom. XII, 20: Indien dan uwen vyandt hongert soo spijsight hem: indien hem dorst soo geeft hem te drincken. Want dat doende sult ghy colen vyers op sijn hooft hoopen. De beteekenis van deze woorden is, volgens Zeeman, 329 ‘door een edelmoedig betoon van barmhartigheid zijnen vijand van schaamte en leedwezen doen gloeien’. Van der Palm verklaart deze uitdrukking aldus, dat men daardoor zijnen vijand aandoet, wat hem het ondragelijkst moet vallen, en strenge wraak aan hem oefent, die hem al zijn ongelijk smartelijk zal doen gevoelen en dus het beste middel tot zijne verbetering wezen zal.In de Leidsche Bijbelvertaling wordt als toelichting gegeven: Dit is een voor den beweldadigde pijnlijk gevolg van des anders grootmoedigheid; de drijfveer houdt niet meer in dan: zoo neemt gij de gevoeligste wraak.... Dat de pijnlijke gewaarwordingen den beweldadigde tot berouw over zijn vijandschap nopen, wordt er licht bij gedacht, maar ligt er eigenlijk niet in. Zie ook Germ.-Rom. Monatschr. II, 248; 679; III, 246. Vgl. Sp. der Sonden, vs. 14633:

Scrifture maket ons vroet
Dat doeghet, diemen den viant doet,
Gelijct den colen, die schone gloyen,
Die met hare hette verbroyen
Gramschap, die daer is geploen,
Die minne weder ontsteken doen.

Zie veider Huygens, Korenbl. II, 104 (no 5); fr. amasser des charbons ardents sur la tête de qqn; hd. einem glühende (oder feurige) Kohlen aufs Haupt sammeln; eng. to heap (cast, gather) coals of fire on a p.'s head; Afrik. vurige kole op iemand se hoof hoop.Jord. 43 (Trui, Bet, Daatje, stemden gretig in, stapelden kolen op 't hoofd van 't stookwijf Jongeneel) in den zin van kwaad spreken van iemand.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut