Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kool - (plantengeslacht, groente)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kool 1 zn. ‘bladgroente (Brassica)’
Mnl. col, kol in de samenstelling col scot ‘spruit uit een kool’ of (lees: col stoc) ‘koolstronk’ [1226-50; VMNW], cole ‘kool’ [1240; Bern.].
Ontleend, wrsch. via vulgair Latijn *cōlis, aan Latijn caulis ‘kool, koolstronk’, oorspr. ‘stengel’.
Ook ontleend: os. kōli; ohd. chōla, chōl (nhd. Kohl); oe. cāwel, cāl (ne. cole ‘soort kool’ wrsch. ontleend aan mnl.); on. kál (wrsch. ontleend aan het oe.; nzw. kål).
Latijn caulis ‘stengel’ is verwant met: Grieks kaulós ‘stengel’; Litouws káulas ‘bot’; Oudiers cúal ‘takkenbundel’; < pie. *keh2u-lo- ‘steel, stok’ (IEW 537). Niet verwant met Sanskrit kulyā́- ‘geul’ of met de Germaanse woorden voor → hol 1, zoals vaak beweerd wordt.
Zie ook → soes.
koolraap zn. ‘ondergrondse raapvormige knol (Brassica oleracea)’. Nnl. koolraap ‘bovengrondse of ondergrondse raap’ in de kool-raapen boven de aarde ... de kool-raapen onder de aarde [1778; WNT]. Samenstelling van kool en → raap, wrsch. als leenvertaling van Italiaans cavolo rapa, samenstelling van cavolo ‘kool’ [13e eeuw; DELI], ontwikkeld uit Latijn caulis ‘id.’, en rapa ‘raap’ [1350; DELI], ontwikkeld uit Latijn rāpa ‘id.’; zo ook bijv. Frans chou-rave [1600; TLF]. De soort met een bovengrondse verdikte stengelvoet heeft later de naam koolrabi gekregen. ♦ koolrabi zn. ‘bovengrondse raapvormige knol’ (Brassica caulorapa). Nnl. koolrabi boven den grond [1854; WNT koolraap]. Ontleend aan Duits Kohlrabi ‘id.’ [17e eeuw; Kluge], dat een gedeeltelijke leenvertaling is van Italiaans cavolo rapa of het mv. cavoli rape. Ook Engels kohlrabi en Zweeds kålrabbi zijn ontleend aan het Duits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kool1 [plantengeslacht, groente] {cole, cool 1226-1250} oudsaksisch koli, oudhoogduits chola < vulgair latijn colis, caulis [kool(stronk), steel]. De uitdrukking de kool en de geit willen sparen [twee partijen met tegengestelde belangen willen verzoenen] berust mogelijk op het raadsel van de schipper die een wolf, een geit en een kool moet overvaren zonder dat de een de ander opeet. De uitdrukking iemand een kool stoven is eufemistisch, vgl. een muilpeer geven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kool 2 znw. v. ‘plant’, mnl. côle v., ohd. chōla v. naast os. kōli, ohd. chōlo, chōli, chōl, oe. cawel, caul (> on. kāl, dat echter ook uit het fri. kan komen; en uit on. weer oe. cāl). — Reeds in de Romeinse tijd overgenomen < lat. caulis ‘stengel’, later ook ‘kool’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kool II (gewas), mnl. côle v. = ohd. chôla v. naast chôlo, chôli, chôl (nhd. kohl) m., os. kôli m. “kool”. Uit lat. caulis “stengel”, later ook “kool” ontleend: evenzoo ags. câwel, caul m. “kool” (eng. cole uit het noordelijke Ofr. of uit het Ndl.). On. kâl o. “id.” wsch. uit ’t Ags. Vgl. voor den vorm bij laurier. Voor andere ontleende keukenwoorden zie keuken, kervel.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kool II. Adde: ags. câl (> eng. cole? Onzeker).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kool II (gewas). Adde: ags. câl, waarvan eng. cole ook wel als de voortzetting wordt beschouwd (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kool 3 v. (gewas), Mnl. cole, Os. côli, gelijk Ohd. kôla, kôl (Mhd. kôl, Nhd. kohl), Ags. cáwl (Eng. cole), On. kál, verder Kymr. cawl en Fr. chou, uit Lat. caulis + Gr. kaulós, Oier. cuaille = paal, Lit. káulas = been, verder verwant met hol 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kuul (zn.) kool; Vreugmiddelnederlands col <1226-1250>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kool I: groentes. (spp. Brassica, fam. Cruciferae); Ndl. kool (Mnl. cole), Hd. kohl, Eng. cole (nog in coleslaw, colewort), reeds i. d. Romeinse tyd ontln. aan Lat. caulis, “stingel” (later ook “kool”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kool ‘plant’ (Latijn caulis); ‘kletspraatjes’ (Jiddisch kol?); (de -- en de geit sparen) (vert. van Frans sauver la chèvre et le chou)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kool. Bij de zeventiende-eeuwer S. van Rusting komt de bastaardvloek pots kool met krenten! ‘bij Gods kool met krenten’ voor. Niet alleen vanwege pots noem ik dit een bastaardvloek. Op het moment dat sacrament verbasterd wordt tot of gesubstitueerd wordt door krent, ligt de weg open voor andere vruchten of gewassen, zoals hier voor kool. In Limburg komt de zelfverwensing een koolken op iets dorren inslikken voor. Stoett spreekt erover in zijn spreekwoordenboek. Of hier de fossiele brandstof, dan wel de groente bedoeld wordt, laat ik in het midden. Feit is wel dat als iemand genoodzaakt is zijn eigen woorden letterlijk te nemen, hem dat in geval van kool veel ongemakken bezorgt. → pompelmoes.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kool ‘plantengeslacht, groente’ -> Indonesisch kol ‘plantengeslacht, groente’; Ambons-Maleis kol ‘plantengeslacht, groente’; Boeginees kôlu ‘plantengeslacht, groente’; Jakartaans-Maleis kol, kul ‘plantengeslacht, groente’; Javaans kol, kul ‘groentesoort’; Madoerees kūl ‘groentesoort’; Makassaars kôlu ‘witte kool’; Muna kolu ‘plantengeslacht, groente’; Soendanees ĕngkol, kol ‘plantengeslacht, groente; witte kool’; Mahican gónan ‘plantengeslacht, groente’; Negerhollands kool ‘plantengeslacht, groente’; Papiaments kolo ‘plantengeslacht, groente’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo koro (ouder: kool) ‘plantengeslacht, groente’; Sarnami koro ‘plantengeslacht, groente’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kool plantengeslacht, groente 1226-1250 [CG II1 Pl.gloss.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1234. Iemand een kool stoven (of bakken),

d.w.z. iemand eene poets bakken; eene euphemistische uitdrukking als iemand een muilpeer geven (zie aldaar); zie Rusting, 510 (ook bl. 11: een kool aandraaien); Villiers, 65; Harreb. I, 433; Köster Henke, 35; Nkr. III, 6 Juni p. 6; IV, 25 Dec. p. 3; VIII, 7 Maart p. 6; Het Volk, 18 April 1914, p. 5 k. 2. Vroeger zeide men hiervoor ook iemand een vijg koken; (fr. servir à qqn un plat de figues d'Espagne); in de middeleeuwen en 16de eeuw: enen een water warmen (Rein. II, 2915); enen bier bruwen, mede blanden, scenken (Tijdschr. XII, 240); &U0113;nen ene sausse brouwen; eenen dat voetwater warmen; iemand een brouwet koken; 't cruymken bakken (Roode Roos, 169); 17de eeuw: iemand een worst braden (V. Moerk. 81); iemand een koek bakken (Tuinman II, 32); een papje koken of boteren (V. Dale); fri.: der scilste in aei for drincke (daar zult ge een ei voor zuipen); immen in koekje bakke; enz. Thans wordt in Zuid-Nederland nog gebruikt: iemand een appel stoven, iemand eenen koek (of een taartje) bakken (Joos, 104) naast iemand een koolken stoven. Hij die dit doet wordt hier en daar een koolkakker genoemd (zie Molema, 218 b; Boekenoogen, 491; bij Spaan, 105: koolbakkerij. Vgl. ook het hd. einem ein (schlimmes) Bad anrichten, eine Suppe einbrocken; fr. poser une marmite à qqn. Zie no. 141.

1235. De kool en de geit sparen,

d.w.z. beide partijen tevreden stellen; fr. ménager (ou sauver) la chèvre et le chou, ménager les personnes, les partis dont les intérêts sont opposésCette expression est fondée sur un problème que l'on donnait à résoudre aux enfants: un homme va traverser un fleuve; il doit, en trois fois, passer d'un bord à l'autre, un loup, une chèvre, un chou. Si le loup et la chèvre, si la chèvre et le chou se trouvent ensemble et seuls pendant l'un des voyages du batelier, le loup mangera la chèvre ou la chèvre mangera le chou: c'est ce quil s'agit d'éviter. Solution. - L'homme doit passer: 1e la chèvre; 2e le chou, mais il ne le débarquera pas, et le gardera dans son bateau; 36 le loup, qu'il débarquera avec le chou (L. Martel, Petit recueil des Proverbes français, p. 59; Paris, Garniers Frères).. Vgl. Nkr. III, 7 Febr. p. 4:

De kunst was om listig te sparen
De kool, maar vooral ook de geit;
De arbeiders moest ik wel paaien,
De werkgevers moesten gevleid.

Nkr. V, 20 Mei p. 4: De kunst is immers om de kool en ook de geit te sparen; Het Volk, 13 Mei 1914, p. 1 k. 4: Zóó worden ambtelijk en ministerieel de kool en de geit gespaard; Haagsche Post, 4 Dec. 1920 p. 1961 k. 3: Engeland tracht zoowel de Grieksche geit als de Turksche kool te ontzien, wil beiden tot vriend - en tot klant houden.

2105. Het sop is de kool niet waard,

ook de zaak is de sop van de kool niet waard, de zaak is niet waard, dat men er zooveel omslag of drukte om maakt, zooveel moeite voor doet; eig.: de kool is het sop niet waard, dat men er opgiet. Zie Sartorius I, 9, 25: 't sop en is de koole niet weert; ook III, 4, 17 met de verklaring: ne multum sumptus operaeve impendas in rem vilem ac sordidam. Vgl. verder R. Visscher, Sinnep. 7; Hooft, Brieven, 101; 161; 253; 270; Pers, 739 b; Tuinman I, 106; Sewel, 408: De kool is de sop niet waard, it will not quit cost, 't is not worth one's while; C. Wildsch. II, 102; Harreb. III, 464 b; Prol. 158; Sjof. 28; Breuls, 82: De sop is de breui neet weerd; enz. Ook in Zuid-Nederland is de uitdrukking bekend; zie Joos, 96; Waasch Idiot. 735: De kool is 't zap niet weerd; Schuermans, 648 a, die ook citeert het sop is de boonen niet weerd. Vgl. Welters, 83: de soep is de breu niet waard; de kool is de saus niet waard; 't Daghet, XII, 190: de soep is 't vuur niet weerd; 144: 't is de sop de kuel niet weerd; fri.: hy is 't sop fen 'e grauwe earte net wirdich; de koal is 't fet net wirdich; Huygens, Cost. Mall, 421: Waar 't vleesch de wortels waert, noch luste my 't verweeren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut