Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kooi - (hok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kooi zn. ‘verblijfplaats voor dieren; slaapplaats op een schip’
Mnl. coye in de toenaam van Hanne Coye [1284; VMNW], ‘verblijfplaats voor dieren’ in des scaeps coye ‘in de kooi van het schaap, in de schaapskooi’ [1287; VMNW], ook in de vorm couwe in als eenen vogel in der couwen ‘als een vogel in de kooi’ [1432; MNW-R]; vnnl. coye ‘kajuit, hut’ [1530; iWNT], koye ‘kooi, hok, stal’, koye int schip ‘scheepshut, scheepsbed’ [1599; Kil.], ‘hut, nauw huisje’ in koyen en hutten [1601; WNT], ‘scheepsbedstee’ in Mouringh was te koy ekropen ‘M. was in zijn kooi gekropen, gaan slapen’ [1635; WNT].
Vroege ontlening aan Latijn cavea ‘kooi, verblijf voor wilde dieren’. Hieruit ontstond ook de Middelnederlandse vorm couwe ‘hok, stal, kudde’, zoals bijv. ook gouw, gooi en go ‘landstreek’ naast elkaar staan, zie → gouw 1.
kooiker zn. ‘houder van een eendenkooi’. Nnl. als beroepsnaam van Jan Jans de Kooijker [1716; Schut 1999], kooiker ‘houder van een eendenkooi’ [1856; WNT]. Een uit het noordoosten van het Nederlandse taalgebied stammende uitgebreide vorm van ouder kooier ‘persoon die een eendenkooi houdt’, al mnl. als bijnaam van Woitijn de koyere [1312; VMNW]; een afleiding met het achtervoegsel -er (zie → -aar) van kooi. Hiernaast ook de vorm kooyman ‘kooiker’ [1717; Marin NF].
Lit.: K. Heeroma (1942), ‘Etymologische aantekeningen: 6. Kooi en verwanten’, in: TNTL 61, 81-95, hier 91-94; J. Schut (1999), Van Kooijker tot Schut(te). 300 jaar geschiedenis van een Gronings-Drentse familie en Genealogie, I, 5, 38

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kooi [hok, stal] {coye 1287} nevenvorm kouw, waarbij kouw uit de eerste en kooi uit de verbogen nv. ontstond, vgl. gouw en gooi < latijn cavea [kooi voor dieren] → kevie.

kouw [hok, stal] {couwe 1401-1450} nevenvorm van kooi.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kooi 1 znw. v. ‘hok voor dieren’, mnl. cooye, coye ‘kooi, schaapskooi, eendenkooi’; daarnaast staat kouw, mnl. couwe. — De beide vormen stammen uit de flectie en wel uit nom. kouw en uit verb. vormen *kauja kooi. — Terwijl kevie uit Latijn cavea afgeleid is, zou kouw uit cava stammen, dat in het Midden- en Nederrijngebied voor 400 als caua zou zijn overgenomen (Th. Frings Germ. Rom. 174-5, maar zie ook E. Rooth, Festgabe Pretzel 1963, 301-307).

Daartegen opponeert K. Heeroma Ts. 61, 1942, 81-117, en wel 1. op cultuurhistorische gronden: zo vroeg kan men geen belangstelling voor vogelkooien aannemen, maar het is waarschijnlijk, dat men dacht aan kooien voor de wilde dieren die aan het keizerlijke hof van Trier voor de spelen aangevoerd werden en 2. wegens semantische bezwaren: kooi en kouw betekenen ook hut; zie echter kooi 2.

kooi 2 znw. v. ‘schuurtje, slaapplaats’. Deze bet. komt mnl. voor en zal wel op een secundaire ontwikkeling van kooi 1 berusten, vgl. de bet. in het Elzassisch ‘legerplaats voor wild’. — > nnd. kōje (sedert 1669), nhd. koje ‘slaapplaats aan boord voor het scheepsvolk’.

K. Heeroma Ts. 61, 1942, 81-117 overweegt de mogelijkheid, dat kooi een auslautsvariant van koot = kot zou zijn. Maar hoe zou men dan het optreden van de i hier moeten verklaren?

kooi 3 znw. v. ‘kudde’, dan ook ‘vlucht vogels’, mnl. cooye ‘kudde’ zou kunnen teruggaan op de bet. ‘schaapskooi’, die reeds eerder ontstaan was.

K. Heeroma Ts. 61, 1942, 81-117 overweegt de mogelijkheid, dat mnl. coye auslautsvariant is naast code ‘big’, wat weinig waarschijnlijk is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kevie znw., mnl. kēvie v. = ohd. chevia v. (nhd. käfig m.), os. kevia v. “cavea, kooi”. Ontl. uit driesilbig rom. *kavia (lat. cavea “holte, afgesloten ruimte, kooi”). Mnl. côie, coie v. “kooi, schaapskooi”, zelden couwe (nnl. kooi, kouw) = mhd. kowe, kouwe, köuwe v. “berghutje” (nhd. kaue), mnd. kôje v. “kleine afgesloten ruimte”; deze vormen veronderstellen een grondvorm *kau-ja (ô-stam); wij zullen van een ergens in ’t rom. taalgebied gesproken *kauja moeten uitgaan of aannemen dat *ka-via, *ka-vja bij ontl. in germ. diall. in een zekere periode in *kau-ja is overgegaan. Voor de vormen vgl. gouw en hooi.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kooi 1 v., staat tot kouw als gooi tot gouw; z. ook kevie.

kouw v., uit Lat. caveam (-a), van waar ook kevie (z.d.w.): de ontleeningen waarin Lat. v = Ndl. w, zijn ouder dan die waarin Lat. v = Ndl. v.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kouw (zn.) kooi; Vreugmiddelnederlands coye <1287> < Latien cavea.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kooi I: “bed”; Ndl. kooi/(dial.) kouw (Mnl. co(o)ye/couwe, by vRieb coy, kooijen, coylegerigh, “bedlêend”), “hok vir diere” (bv. eende, skape); “slaapplek” (blb. ook v. mense), Ned. (sedert 1669) en dan ook Hd. koje (albei mntl. uit Ndl.), “slaapplek aan boord vir skeepsvolk” – in lg. bet. wsk. deur d. seemt. in Afr. gekom, maar meningsverskille oor herk. hoërop.

kooi II: – kou – , “voëlhokkie”; van dies. herk. as kooi I (vgl. Ndl. kouw en Mnl. couwe), maar alleen hier wv. kou en dan eint. doeb. v. kooi I.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kooi (Romaans cavia)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kooi, van kouw (als: looien en louwen, gooien en gauw), ook wel kevi (Hgd. Käfig), van ’t Lat. cavea = kooi, afgel. van cavus = hol.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kooi ‘hok, stal; slaapvertrek op schip’ -> Engels decoy ‘eendenval; val(strik); lokvogel; lokmiddel’; Engels † coy ‘eendenval; kreeftenfuik; lokeend’; Schots † coy, cwe ‘slaapvertrek op schip’; Duits Koje ‘bed op schip; ruim voor de opslag van zeilen; tentoonstellingsstand’; Deens køje ‘slaapvertrek op schip’; Noors køye ‘vast ingebouwd bed op schip, in vakantiehut e.d.’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds koj ‘slaapplaats op schip’; Zweeds koja ‘hut, klein verblijf’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins koija ‘hok, stal; slaapvertrek op schip’ ; Ests koiku ‘slaapvertrek op schip’ ; Spaans coy ‘slaapvertrek op schip, hangmat’; Tsjechisch kóje ‘slaapvertrek op schip; hok; tentoonstellingsstand’ ; Slowaaks kója ‘slaapvertrek op een schip; hok; tentoonstellingsstand’ ; Pools koja ‘hok, stal’ (uit Nederlands of Duits); Sloveens koja ‘slaapvertrek op schip’ ; Russisch kójka ‘hangmat; bed, plank, slaapbank; (jongerentaal) seksueel contact’; Bulgaars kojka ‘slaapvertrek op schip’ ; Azeri koyka ‘bed in het ziekenhuis, gevangenis of op schip’ ; Lets koja ‘slaapvertrek op schip’; Ambons-Maleis koi ‘bed’; Kupang-Maleis koi ‘ledikant’; Makassaars koi ‘houten bed’; Menadonees koi ‘ledikant’; Ternataans-Maleis koi ‘ledikant’; Negerhollands kooi ‘bed, slaapvertrek’; Papiaments kouchi (ouder: kouwtsje) ‘hok’; Papiaments koi ‘hut op schip’; Sranantongo koi ‘hok, stal’; Sarnami koi ‘hok, stal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kooi hok, stal 1287 [CG NatBl] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1232. Naar (de) kooi gaan,

d.w.z. naar bed gaan; hd. in die oder zu(r) Koje gehen (Schrader, 292; Kluge, Seemansspr. 469); oostfri. to kôi gân; eene zeemansuitdrukking. Onder de kooi verstaat men de slaapplaats voor scheepsgasten; vgl. Kiliaen, 310: Koye int schip, cubile nauticum, lectulus nautae; Winschooten, 118; Huygens, Scheepspraet, 17: Mouringh was te koy ekropen; vgl. Halma, 280: Gaa naar kooi, couchez vous. Synonieme uitdrukkingen zijn: in de mat kruipen (De Vries, 83Vgl. fri. matte, duivenhok, nachthok voor kippen.); te vak goan (Molema, 439); naar zijn nest naar de koetscoupé gaan (Jong, 178), naar de couché gaan, naar den koffer (fr. aller dans son nid), zijn mandje, zijn koets gaan, den poetszak ingaan, gaan (Köster Henke, 35), op den koffer kruipen; ook koffertje (zie Peet, 131), in zijne pijp kruipen (Antw. Idiot. 961; De Bo, 856) en naar de pijp gaan (in Gelderland, Gallée, 93 b en in Limburg, Welters 107), waarbij men bedenke, dat de woonplaats van wilde konijnen, dassen en vossen eene pijp genoemd wordt; naar zijne douw (wieg?), zijne schelp gaan (Schuerm. 103 a); in Limburg: tusschen de schummele (= schimmels, witte paarden) goân; in Groningen in 't vijrkant goan (Molema, 463 b); fri.: op 't fjouwerkant gean; op 'e prikke gean; naar zijnen eemer gaan (Antw. Idiot. 394); naar Bethlehem gaan (vgl. Paffenr. 70: Zijn kwartier te Bethlehem nemen), woordspeling met bed (Antw. Idiot. 221; 't Daghet, XII, 142); naar Betje van Veeren (in de Lakenstraat) of naar Kaatje in de Wolstraat gaan; naar Betje Bultzak gaan (Harreb. II, LXXXII); in (of onder) de wol kruipen (Onze Volkstaal II, 120); naar de Vierhoekstraat gaan; de klossebak ingaan (Boekenoogen, 458). In Zuid-Nederland: naar zijn bak (vgl. hd. Penne), zijn kooi, zijn keet, zijn pier (zie Ndl. Wdb. XII, 1564), zijn kevie, zijn sjees gaan; in zijnen polder kruipen; dodo gaan; vgl. hd. in die Federallee spazieren, in die Federredoute gehen, ins Federfeld springen, sich nach Federhausen verfügen, nach Lagerhausen oder Bethlehem gegen, nach Posen umsehen (Schrader, 313); in die Falle oder die Klappe gehen, nach Interlaken reisen; fr. se mettre entre deux draps, dans les toiles; aller au pieu; se coller dans le pieu; eng. to get between the blankets (or sheets); to go to the land of Nod; to go to Bedfordshire; to fluke.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut