Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koning - (regerend vorst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koning zn. ‘regerend vorst’
Onl. kuning ‘heerser, vorst’ in cuninga tharsis in alende geuon bringon sulun ‘de koningen van Tarsis en de eilanden zullen geschenken brengen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. coninc ‘heerser, vorst’ in der hunen koninc ‘de koning der Hunnen’ [1200; VMNW], den coninc van din hemelrike ‘de koning van het hemelrijk, God’ [1265-70; VMNW], Die coninghen van den .v. steden ‘de koningen van de vijf steden’ [1285; VMNW]; vnnl. koning.
Os. kuning (mnd. kunig); ohd. kuning (nhd. König); ofri. kining, kening, kuning, koning (maar nfri. kening, keuning is ontleend aan het mnd., koaning aan het mnl.); oe. cyning, cyng (ne. king); on. konungr, kongr (nzw. konung, kung); < pgm. *kuninga-, afleiding van *kunja- ‘geslacht, familie’, zie → kunne, met het achtervoegsel *-ing- ‘behorend bij’ dat beschreven wordt onder → -ling. Voor ‘koning’ zou men dan een oorspr. betekenis ‘afstammeling van een bepaald (voornaam, goddelijk e.d.) geslacht’ kunnen aannemen. Een vroege ontlening (wrsch. reeds 2e of 3e eeuw) aan de nominatief pgm. *kuningaz is Fins en Ests kuningas ‘koning’. Iets later ontleend is Proto-Slavisch *kŭnędzĭ (Kerkslavisch kŭnędzĭ, Russisch knjaz' ‘vorst’). Lets kùngs ‘heer, vorst’, Litouws kùnigas oorspr. ‘id.’, nu ‘priester’, zijn jongere ontleningen aan het Duits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koning* [regerend vorst] {oudnederlands cuning 901-1000, middelnederlands coninc} oudsaksisch kuning, oudhoogduits kuning, oudengels cyning, oudnoors konungr, verwant met middelnederlands conne [geslacht, afkomst] (vgl. kunne1, kind).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koning [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 236 [1969].

koning znw. m., mnl. cōninc, cueninc, onfrank. cuning, cunig, os. kuning, ohd. chuning, chunig, ofri. kining, kening, kinig, kenig, oe. cyning, cyng (ne. king), on. konungr. — Het germ. *kuningaz is in het fins overgenomen als kuningas ‘koning’, in het lit. als kùningas ‘priester’, in het osl. als kŭnędzǐ ‘vorst’. Het woord is afgeleid van germ. *kunja ‘geslacht’ (waarvoor zie: kunne) en duidt de koning aan als een afstammeling uit (goddelijk) geslacht. Waarschijnlijk is het woord bij de Zuidgermanen opgekomen om het charismatische karakter van de koning duidelijk te doen uitkomen (J. de Vries Saeculum 6, 1956, 298-300).

Intussen heeft men ook andere verklaringen voorgesteld: 1. bij *kunjaz = lat. genius ‘verwekker’, en dan ‘afstammelingen van de verwekkende god’ (F. R. Schröder, Unters. rel. gesch. 1, 1941, 37); daar men dan verwachten moet *kynjungr, moet men secundaire invloed van *kunja aannemen, wat de etymologie weinig waarschijnlijk maakt. — 2. < *kven-ungr ‘zoon of gemaal van een vrouw, nl. van de godin der vruchtbaarheid’ (voor het 1ste lid zie: kween) wat dan op moederrechtelijke verhoudingen zou wijzen (O. v. Friesen, Saga och Sed 1932-4, 15 vlgg.), wat zeker af te wijzen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koning znw., mnl. cōninc, cȫninc (gh) m. = onfr. cuning, cunig, ohd. chuning, chunig (nhd. könig), os. kuning, ofri. kini(n)g, keni(n)g, ags. cyning, cyng (eng. king), on. konungr m. “koning, vorst”. Wellicht oorspr. een patronymicum van *kuni- “aanzienlijk man”, dat verwant is met *kunja- “geslacht” (zie kunne). Voor de bet. “koning” vgl. Tacitus Germania VII: “Reges e nobilitate sumunt”. Op een germ. znw. *kuni- wijzen on. konr m. “aanzienlijk man, zoon, man” en ohd. ckuni-rîhhi, ags. cyne-rîce o. “koninkrijk”, cyne-lîc “koninklijk”. Uit het Germ. obg. kŭnędzĭ “vorst”, lit. kùningas “priester”, finsch kuningas “koning”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koning. Met ags. cyne-lîc vgl. nog ofri. ken-lîk ‘koninklijk’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koning m., Mnl. coninc, Onfra. & Os. cuning + Ohd. kuning, kunig (Mhd. künec, Nhd. könig), Ofri. kini(n)g, Ags. cyning, cyng (Eng. king), On. konungr (Zw. konung, De. konge), met -ing dat patronymica vormt, afgel. van Ug. *kuniz, Ohd. chuni-, Ags. cyne-, On. konr = koning, man van voorname afkomst, van denz. oorspr. als kunne.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keuning (zn.) koning; Aajdnederlands kuning <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

koning: Koning Sa’lomo-olie (de), ingrediënt van sommige kruidenbaden*. Zie Stephen 1983: 113.
— : zie ook koningsroller*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koning (de -- is dood, leve de --!) (vert. van Frans le roi est mort, vive le roi!)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De drie koningen, de geleerden die Jezus kort na zijn geboorte bezochten, voorgesteld als koningen, genoemd in verband met hun feestdag en de folklore daarbij, en als figuren in het kerstverhaal of in verwijzingen daarnaar.

De Wijzen uit het Oosten, de drie Perzische geleerden uit het kerstverhaal, werden in de loop van de Middeleeuwen als koningen voorgesteld. Waarschijnlijk is dat mede gebeurd op basis van Psalmen 72:9-11, eigenlijk een gebed voor de koning: 'Laten de woestijnbewoners voor hem buigen, / zijn vijanden het stof van zijn voeten likken. / De koningen van Tarsis en de kustlanden, / laten zij hem een geschenk brengen. / Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, / alle volken hem dienstbaar zijn' (NBV). Als drie koningen zijn deze bijbelse figuren, genaamd Caspar, Melchior en Baltasar, bekend geworden door hun feestdag op 6 januari en de folklore daaromheen. Zie ook Wijze.

Rijmbijbel (1271), v. 21352-58. Matheus seghet sonder saghe. / Dat in den .xiii.den daghe. / Van orienten .iii. coninghe quamen. / Te iherusalem te samen. / Ende vragheden openbare. / Waer der iueden coninc ware. / Die niewinghe ware gheboren. (Matteüs vertelt naar waarheid dat op de dertiende dag drie koningen gezamenlijk uit het oosten naar Jeruzalem kwamen, en openlijk vroegen waar de koning der joden was, die kort geleden was geboren.)
Haar vervoermiddel is een bezemsteel. Daarmee vliegt ze door de lucht met een grote zak vol lekkers en vol speelgoed, om net als de drie koningen haar geschenken naar het kindje Jezus te brengen. (NRC, jan. 1995)
Wanneer op een kerstavond drie Amerikanen (de drie koningen?) bij de kapelaan binnenstappen. (Leeuwarder Courant, 10-2-1973)
Op de feestdag van Drie Koningen was degene die de boon in het eten had aangetroffen, de baas. (De Limburger, 24-12-1986)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koning, van denzelfden oorsprong als kunne = geslacht (zie Kind). De uitgang ing is hier een z.g. patronymikon, d.w.z. een uitgang ter vorming van vaders- of familienamen, vgl. Meroving, zoon, afstammeling van Meroveus, Karoling van Karolus, Benning van Benno, enz. Koning wil dus oorspr. zeggen: een afstammeling van het geslacht; waarbij men moet bedenken, dat alleen de voornaamsten vroeger een geslacht, d. i. een geslachtsboom, een rij bekende voorouders hadden (zie Adel).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koning ‘regerend vorst’ -> Gã konõ ‘regerend vorst’ (uit Nederlands of Deens);? Mohegan-Pequot kunnung ‘hoofd’; Negerhollands koning, kinin ‘regerend vorst’; Sranantongo kownu, konu, konim ‘regerend vorst’; Aucaans konoe ‘regerend vorst’ ; Arowaks kónoe ‘regerend vorst’ ; Karaïbisch konu ‘regerend persoon; koning, koningin, president’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koning* regerend vorst 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

255. In het land der blinden is éénoog koning.

‘Dat is, onder onwetende munt als wat groots uit, die eenige wetenschap heeft’ (Tuinman I, 364). Reeds in het Grieksch: εν τοις τοποις των τυφλων γλαμων βασιλευει; εν τυφλων πολει γλαμυρος (leepoog) βασιλευει (Schol. Hom. Ω 192); in het Latijn: monoculus inter caecos rexWander I, 404.. Bij ons in de 16de eeuw voorkomend; vgl. Sart. II, 3, 66: De Scheele is een Koningh onder de Blinde, in 't Lant der Blinden is Koppen een-oogh Koning (zoo ook III, 5, 74). Vgl. ook De Brune, 153; Huygens VI, 170:

 In 't Huys daer de blinde woont
 Werdt de slimste eerst gekroontVertaling van het Portugeesche: en casa de cego ô torto he Rey. Bij Jan Vos, Klucht v. Oene, bl. 261: In et schip van de blinden is ienoog stuurman..

Zie verder Bebel, 226: inter caecos unoculus rex est; Erasmus XCVI: inter caecos regnat strabus; Harreb. I, 92; III, 131; 398; Ndl. Wdb. II, 2855; fr. au pays (ou au royaume) des aveugles, les borgnes sont rois; hd. bei den Blinden ist der Einäugige König; eng. in the kingdom of the blind, one-eyed men are kings.

748. Zijn haan kraait (of is) koning,

d.w.z. hij is de baas; de uitdr. is ontleend aan een hanenwedstrijd, waarin zijn haan als overwinnaar is te voorschijn getreden; vandaar: hij heeft zijne zaak doen triomfeeren, hij is de baas. Ook zeide men in de 17de eeuw: zijn haan kraait boven (zie het Ndl. Wdb. V, 1385 en III, 885), en zijn haan is koning, waarvan Sartorius I, 3, 50, zegt ‘nostrates a gallis inter se de victoria certantibus metaphoram sumunt’.Over de hanengevechten hier te lande kan men raadplegen Ter Gouw, de Volksvermaken, 357-359. Vgl. ook Sewel, 416: Haar haan kraait koning (zy heeft de broek aan), she wears the breeches; Halma, 200: Zijn haan is koning, il dame le pion à tous les autres; in het Friesch: syn hoanne moat kening kraije; fr. il chante victoire; eng. to cry cock; vgl. hd. zu früh krähen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut