Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kond - (bekend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kond bn. ‘bekend’
Onl. kunt ‘bekend’ in fan lugenon cunda sulun uuerthun ‘door leugens zullen zij bekend worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. cont ‘bekend’, vrijwel uitsluitend predicatief gebruikt met de werkwoorden maken, doen, sijn, wesen, worden, bijv. in [diig] h[e]bbe kunt gedan ‘die ik bekend heb gemaakt’ [1200; CG II], want mi es cont dat ‘want mij is bekend, dat’ [1265-70; CG II], maken cont ‘maken bekend’ [1267; CG I]. Daarnaast ook het werkwoord onl. kunden ‘bekendmaken, verkondigen’ in in cundidon uuerck godis ‘en ze verkondigden het werk van God’ [10e eeuw; W.Ps.], zie verder → verkondigen.
Os. kūth (mnd. kunt); ohd. cund (nhd. kund); ofri. kūth; oe. cūþ ‘bekend’, uncūþ ‘onbekend, vreemd’ (ne. uncouth ‘vreemd, ongemanierd’, waaruit door terugvorming couth ‘welgemanierd’); on. kuðr, kunnr (nno. kunn, nzw. in de samenstelling kungöra ‘bekendmaken’); got. kunþs; alle ‘bekend’; < pgm. *kunþa-, afleiding met de uitgang van een verl.deelw. van *kun(n)-, zie → kunnen.
Dit woord is tegenwoordig verouderd en vervangen door → bekend; kond komt nog wel voor in de vaste verbinding kond doen ‘berichten, mededelen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kond* [bekend] {oudnederlands kund 901-1000, middelnederlands cont} oudhoogduits kund, oudsaksisch, oudfries kuth, oudengels cuð, oudnoors kunnr, gotisch kunþs [bekend]; verl. deelw. van kunnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kond bnw., mnl. cont ‘bekend’, onfrank. ohd. kund, os. ofri. kūth, oe. cūð (ne. uncouth), on. kunnr, kuðr, got. kunþs. Eigenlijk is het een deelwoord-formatie bij kunnen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kond bnw., mnl. cont (d) “bekend”. = onfr. ohd. (nhd.) kund, os. ofri. kûth, ags. kuðr (eng. un-couth), on. kunnr, kuðr, got. kunþs “bekend”. Deelwoordformatie van kunnen: idg. * ĝenə-to-. Zie kunde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kond bijv., Mnl. cont. Onfra. kund, Os. cûth + Ohd. kund (Mhd. kunt, Nhd. kund), Ags. cûđ (Eng. un-couth), On. kunnr, Go. kunþs + Lat. í-gnotus: verl.deelw. van *kinnen (z. kunnen).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut