Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kompas - (instrument dat het magnetische noorden aanwijst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kompas zn. ‘instrument dat het magnetische noorden aanwijst’
Mnl. compas ‘passer’ in bi compasse al ront ‘(als) met een cirkel volkomen rond (gemaakt)’ [1300-50; MNW-R], ‘de juiste maat’ [1450-1500; MNW]; vnnl. compas, kompas ‘instrument dat de magnetische noordpool en de windstreken aanwijst’ in de samenstelling compassgelass ‘kompasglas’ [1536; MNHWS], tcompas ‘het (zee)kompas’ [1539; MNW], ook wel kompas ‘uurwerk’ [1574; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans compas ‘passer, cirkel’ [12e eeuw; TLF], eerder al cumpas ‘maat’ [begin 12e eeuw; TLF] (Nieuwfrans compas ‘zeekompas’ [1575; TLF]), afleiding van compasser ‘precies meten, meten met de passer’ [1130-40; Rey], ontwikkeld uit vulgair Latijn *compassare ‘afstand meten’, gevormd uit klassiek Latijn → com- ‘samen’ en passus ‘pas, schrede’, zie → pas 1. Passus was ook een lengtemaat (1,50 m); *compassare was dus de afstand bepalen door de dubbele passen samen te nemen.
De oudste betekenissen zijn ‘passer, cirkel’ (met een passer getekend) en ook ‘nauwkeurige, juiste maat’ (het resultaat van werken met een passer); dan volgen ‘zonnenwijzer’, ‘uurwerk’ en ‘zeekompas’, zeer waarschijnlijk omdat deze instrumenten een cirkelvormige wijzerplaat, resp. windroos bevatten. De betekenis ‘windstreekwijzer, zeekompas’ is wrsch. niet aan het Frans ontleend, waar die pas geattesteerd is in 1575, maar aan Vroegnieuwengels compass ‘zeekompas’ [1515; OED], waar die betekenis zich wrsch. zelfstandig ontwikkeld heeft. Voor het Duits gaat Pfeifer uit van ontlening aan Italiaans compasso [voor 1310; Cortelazzi].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kompas [instrument dat de windstreken aanwijst] {compas(se) [cirkel, passer, kompas] 1384-1407} < frans compas, compasser [idem] < vulgair latijn compassare [met passen afmeten], van latijn com- [samen] + passus [schrede, pas].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kompas znw. o., mnl. compas ‘cirkel, passer, proportie, kompas’ < fra. compas ‘passer, kompas’ (sedert de 12de eeuw), afl. van compasser < vulg. lat. *compassare ‘afmeten’, van lat. compassum ‘gelijke pas’; dus eig. ‘met gelijke schreden iets afmeten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kompas znw. o., mnl. compas m.o. “cirkel, iets cirkelvormigs, passer, proportie, kompas”. Uit fr. compas “passer, kompas”, nomen bij compasser “afpassen”, eig. “ be-stappen” (van lat. passus). Internationaal woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kompas o., uit Fr. compas = omtrek, passer enz., van compasser = afmeten, afstappen, afgeleid van pas (z. pas 1) met praef. com (z. ge-).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kompas’ (de, -sen), (ook, gebr. in de Para*) grenslijn van een bepaald gebied, bijv. van een plantage*. - Etym.: Vgl. E compass = o.m. omtrek; grens.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kompas (Frans compas)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Kompas (= Fr. compas = passer; scheepskompas; < Ital. compassare = afpassen, nauwkeurig meten; < Lat. passus = stap, pas).

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Kompas (= Fr. compas = passer, scheepskompas; Ital. compassáre = afpassen, nauwkeurig meten; < → com-, + Lat. pássus = stap, pas). Eig. werktuig om te meten. In de 15e en 16e eeuw werd met dit woord ook een zakzonnewijzer bedoeld, die met behulp van een magneetnaald werd opgesteld. De naam ging daarna over op de magneet met bijbehorenden verdeelden cirkel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’ -> Russisch kómpas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Indonesisch kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Ambons-Maleis kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Boeginees kompâsu ‘passer’; Jakartaans-Maleis kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Kupang-Maleis kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Madoerees kompas ‘kompas in zakuurwerken’; Makassaars kompâsu ‘passer’; Menadonees kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Ternataans-Maleis kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Japans konpasu ‘passer; kompas; benen (slang)’; Koreaans k'omp'asŭ ‘passer; scheepskompas’ ; Negerhollands kompos ‘instrument dat de windstreken aanwijst’; Sranantongo kompas ‘instrument dat de windstreken aanwijst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kompas instrument dat de windstreken aanwijst 1384-1407 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal