Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kommer - (leed)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kommer1 [leed] {com(m)er, comber [belemmering, last, nadeel, moeite die men ondervindt, zorg, gebrek] 1254} middelhoogduits kumber [puin, overlast, nood] < oudfrans combre [versperring in rivier], combrer [grijpen, zich meester maken van], middeleeuws latijn combrus [versperring], waarvoor gallische herkomst wordt aangenomen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kommer znw. m., mnl. commer, comber m. ‘last, belemmering, arrestatie, beslaglegging, nadeel, zorg, gebrek’, mnd. kummer, kumber, mhd. kumber, kummer ‘puin, afbraak, overlast, nood, kommer, arrestatie, beslaglegging’, owfri. kommer ‘last’. — Daar het woord eerst betrekkelijk laat optreedt, is afl. uit ofra. combres < vroeg-mlat. combrus, cumbrus ‘versperring van bomen of takken’, dat zelf uit het gallisch stamt, te overwegen. De overgang van ‘versperring’ > ‘puinhoop’ vinden wij ook in ofra. encombres; wij moeten dan aannemen, dat in het germ. het woord is gaan betekenen ‘wat de ziel bezwaart’.

Wil men met FW 334 het woord als inheems verklaren, dan is dit formeel mogelijk; het kan behoren bij de idg. wt. *gem ‘grijpen; samendrukken persen’, vgl. gr. gémō ‘ik ben volgepakt’, umbr. gomia ‘gravidas’, miers gemel ‘boei’, lett. gùmstu, gùmt ‘grijpen, overvallen’, osl. žǐmą, žěti ‘samendrukken’. Ofschoon in lat. gemo ‘zuchten, steunen’ ook de belasting van de ziel blijkt, noemt IEW 368 onder de germ. verwanten kommer niet.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kommer znw., mnl. commer (comber) m. “last, belemmering, arrestatie, beslaglegging, schuld-last, nadeel, zorg, kommer, gebrek”. = mhd. kumber, kummer m. “puin, afbraak, overlast, nood, moeite, kommer, arrestatie, beslaglegging” (nhd. kummer), mnd. kummer (kumber) m. “id.”, owfri. kommer “last” (ook oofri. het ww. kumbria). Dit woord is niet te scheiden van vroeg-mlat. cumbrus, combrus “versperring”, fr. encombre “belemmering”, ’t mv. ook “puin, puinhoop”, ofr. combrer “versperren”; dgl. woorden ook in andere rom. talen. In geen geval moeten wij de germ. woordgroep uit het Rom. afleiden, — veeleer omgekeerd: immers een germ. basis kum-, ablautend met kem-, met de bet. “drukken, zwaar zijn” is met ’t oog op umbr. gomia “gravidas”, gr. gémō “ik ben vol”, gómos “lading”, obg. žĭmą, žęti “drukken”, lett. sa-gumt “onder een zwaren last gebukt gaan”, arm. čim, čem “toom”, čmlem “ik druk” zeer aannemelijk. Hierbij ook lat. gemo “ik zucht”, oorspr. “ik ben bedrukt” of “voel mij benauwd”? Uit ’t Germ. kunnen nog ags. cuml, cumbl, cumul o., “wond, gezwel”, cumbol o. “teeken, vaandel”, os. kumbal o. “hemelteeken”, on. kuml o. “teeken”, vooral “grafteeken, grafmonument”, noorw. dial. kumla “klomp, kluit” verwant zijn: de bet. “teeken” zou op “opgeworpen gedenk- of herkenningsteeken” terug kunnen gaan. Men vergelijkt ook nog wel ohd. kembil m. “boei, blok” (en dan ook ier. gemel “boei”), on. kimbull m. “bundel” (zie echter bij knevel). Dan zou een met ƀ̌ verlengde basis moeten worden aangenomen; de boven geciteerde woorden kunnen een tusschen m en r, l ingelaschte b hebben, vgl. timmeren. Eng. to cumber “verstoppen, belemmeren, bekommeren” komt van ’t ofr. combrer.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kommer. De rom. woorden ofr. combre enz. worden uit het Gallisch afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kommer 1 m. (angst, nood, beslag), Mnl. commer, comber, Mhd. kumber (Nhd. kummer), Eng. cumber + Ofra. combrer (thans encombrer) = belemmeren, van Mlat. cumbrus = versperring, hoop: onderling verband onbekend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kommer ‘leed’ -> Deens kummer ‘leed’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kummer ‘leed’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kommer leed 1265-1270 [VMNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut