Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

komfoor - (toestel om iets warm te houden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

komfoor zn. ‘toestel om iets warm te houden’
Mnl. caufoor, confoor in Een caufoor van metael, ysere oft eerde ‘een verwarmingstoestel van metaal, ijzer of aardewerk’ [1300-1450; MNW], twee confooren, al van latoenen ‘twee verwarmingstoestellen, elk van geelkoper’ [1491; Claes 1994a]; vnnl. caffoor [1546; iWNT], koffoor [1552; iWNT], comfoor [1690; iWNT].
Ontleend aan Picardisch cauffoir ‘verwarmingstoestel’ [1372; Du Cange calidus-furnus] (Nieuwfrans chauffoir), dat teruggaat op een afleiding van vulgair Latijn calefare (Nieuwfrans chauffer), nevenvorm van Laatlatijn calefacere ‘warm maken’, gevormd uit klassiek Latijn calēre ‘warm zijn’, verwant met → lauw ‘halfwarm’, en facere ‘maken’, zie → feit. In het Nederlands met invoeging van een nasaal, zoals dat vaker gebeurde in Romaanse leenwoorden, zie bijv.kandeel en → pompoen, waarbij waarschijnlijk ook het woord kom invloed heeft uitgeoefend, want oorspr. was komfoor een kom met water.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

komfoor [toestel om iets warm te houden] {caufoor, caf(f)oor [komfoor, vuurpan] 1300-1450, confoor 1491, comfoor 1690} < noordfrans caufoir, frans chauffoir [idem], van chauffer [verwarmen, stoken] < latijn calefacere, van calidus [warm] + facere [maken, doen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

komfoor znw. o. ‘verwarmingstoestel’, sedert Kiliaen kaffoor, kauffoor (zuidnl.) in 1545-6 caffoor o. < picard. vorm van ofra. chaufoire ‘ketel voor warm water’ (van het ww. chauffer < vulg. lat. *calefare); voor de vorm der 1ste lettergreep vgl. ook kombuis, voor de klinker ook: kohier. — > russ. komfórka, konfórka, kamfórka, kanfórka (nu verouderd), vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 49.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

komfoor znw.o. Kil. kaffoor, kauffoor (beide nog zuidndl.), in 1545 en 1546 caffoor o. Uit een pic. vorm van ofr. chaufoire “ketel waarin men warm water doet” (van chauffer, uit een bijvorm van lat. calefacere). Voor kom- vgl. kombuis. Zie ook kohier en kandeel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

komfoor, kaffoor o., uit Pie. caufoir, Fr. chauffoir = oven, kachelkamer, van chauffer = verwarmen, Lat. calefacere, saamgest. met den stam van calere = heet zijn (z. kandeel) en facere = maken, doen (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

komfoor (Picardisch cauffoir)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Komfoor, mnl. caf(f)oor. voorwerp, waarin vuur of kolen gelegd worden voor verhitting, of om b.v. een pijp aan te steken, uit fr. chauffoir, overgenomen in een tijd toen dit woord nog met begin-k werd uitgesproken of uit het picardische cauffoir; bij Kil. koffoor en kauffoor. De invoeging van een nasaal (trouwens ook wel andere liquida) in vreemde woorden in de lettergreep vóór die met den hoofdtoon is zeer gewoon, vooral nóg in den volksmond, komkommer = lat. cucumis, konzenielje = cochenille, pampier = papier, pangaaien = pagaaien, pompoen = lat. pepo, peponis, spanseeren = hgd. spazieren, visenteeren = visiteeren enz. In Z.-Ned. kafoor = schoorsteen. Potgieter, Proza 2: “Jan ... knort op de meid, die geen geglommen kooltje in het komfoor bragt.”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Komfoor, van ’t Fr. chauffoir, letterlijk: warmte-maker, van ’t Lat. cale-facere (calere = heet zijn; facere = maken).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

komfoor ‘toestel om iets warm te houden’ -> Duits dialect Komfoor, Komfôr ‘warmhouder (voor koffie en thee), gloeipan, waterketel op een gestel, kolenbekken’; Deens komfur ‘toestel om eten op te bereiden’; Noors komfyr ‘fornuis’; Russisch kamfórka, komfórka, konfórka, kanfórka ‘spirituslamp; toestel om iets warm te houden; bovenste opzetstuk van een theezetapparaat’; Oekraïens konfórka ‘spirituslamp; toestel om iets warm te houden’ ; Azeri konforka ‘bovenste opzetstuk van gasfornuis’ ; Zuid-Afrikaans-Engels komfoor ‘(voet)stoof; schotelwarmer’ ; Indonesisch kompor ‘toestel om iets warm te houden’; Balinees kompor ‘toestel om iets warm te houden’; Boeginees kômporó ‘toestel om iets warm te houden’; Javaans kompor, komur ‘toestel om iets warm te houden, petroleumstel, gasstel’; Menadonees konfor ‘toestel om iets warm te houden’; Minangkabaus kompor ‘toestel om iets warm te houden’; Soendanees kompor ‘toestel om iets warm te houden’; Creools-Portugees (Batavia) convoor ‘toestel om iets warm te houden’; Negerhollands komfoor, konfōrt ‘houtskoolpot’; Papiaments konfó (ouder: komfoor) ‘toestel om iets warm te houden’; Sranantongo konforo ‘kooktoestel’; Saramakkaans konfoólo ‘kooktoestel’ ; Surinaams-Javaans kompor ‘toestel om iets warm te houden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

komfoor toestel om iets warm te houden 1491 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut