Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kom - (schaal; laagte in een oppervlak; bebouwd gebied van een dorp of stad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kom zn. ‘schaal; laagte in een oppervlak; bebouwd gebied van een dorp of stad’
Mnl. als veldnaam die combe (Oost-Vlaanderen) voor een laaggelegen, door verhogingen omgeven vlakte [1272; VMNW], com, comme ‘kuip, i.h.b. vollerskuip’ in te comme ‘in de kuip’ [1277; VMNW], een olie commeken oft een commeken om uyt teten ‘een oliekommetje of een kommetje om uit te eten’ [1300-1450; MNW]; nnl. kom ‘aaneengesloten bebouwd gebied’ in de buiten de kom der gemeenten aangelegde begraafplaatsen [1828; WNT], bebouwde kom [1858; WNT], onbebouwde kom ‘gebied buiten de bebouwde kom binnen een gemeente’ [1999; Eindhovens Dagblad].
Herkomst onzeker. Wrsch. horend bij de groep niet-Indo-Europese leenwoorden die onder → kop 1 worden beschreven.
Mnd. kumme ‘schaal, kuip’; oe. cumb ‘schaal; vallei’ (ne. coomb; de betekenis ‘vallei’ is misschien ontleend aan Welsh cwm ‘id.’); < pgm. *kumba-. Daarnaast pgm. *kumpa-, waaruit: nnl. dial. komp ‘bak, tobbe’; mnd. kump ‘id.’; mhd. kumpf ‘schotel, kom’ (nhd. Kumpf).
De algemene betekenis van dit woord is ‘schaal’. Naar analogie van de vorm heeft het andere betekenissen gekregen, bijv. ‘laagte of uitholling in het aardoppervlak’ (komgrond ‘laaggelegen grond van zware rivierklei in het Nederlandse rivierengebied’) en ‘gewrichtsholte’ (je arm uit de kom getrokken [1936; WNT]). Als topografische term was kom het centrale dorpsplein met de daaromheen gelegen bebouwing; dit groeide uit tot het wettelijke begrip bebouwde kom ‘het bebouwde gebied van een gemeente’. Bij uitbreiding is hierbij wrsch. incidenteel ook het antoniem onbebouwde kom gevormd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kom* [vaatwerk] {com(me) 1277} middelhoogduits kumpf (hoogduits Kumme), oudengels cumb; van dezelfde stam als kuif, met nasalering.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kom znw. v., mnl. comme, com v. m. ‘kom, vollerskuip, kist, door bergen ingesloten vlakte’, mnd. kumme v. ‘kom, schaal, kuip’, oe. cumb m. ‘kom, een maat voor vloeistoffen, vlakte tussen bergen’ (ne. comb, coomb). — Naast de grondvorm *kumba stond ook *kumpa, vgl. nnl. dial. (Nl. en Belg. Limb.) komp, mnd. kump m. ‘bak, tobbe’, mhd. kumpf, komph m. (nhd. kumpf) ‘schotel, kom, maat voor vloeistoffen’.

Men kan germ. *kumba plaatsen naast *kubba, zie: kobbel en verder kuif (IEW 396). — Tegelijkertijd kan echter ook het woord overgenomen zijn < lat. cumba < gr kúmbē maar ten dele ook < gall. rom. kumba (Frings, Germ. Rom. 94-95). Tegen deze afleiding zijn de vormen germ. *kumpa weliswaar geen afdoend argument, daar de b secundair verscherpt zou kunnen zijn, maar het is niet waarschijnlijk dat zulk een woord aan het gallo-romaans zou zijn ontleend alleen op grond van het feit, dat het juist in het noordelijke westgermaans inheems is. — Oe. cumb in de bet. ‘dal’ leidt men wel af uit oerbrit. *kumbos, vgl. kymr. cwmm ‘dal’, miers comm ‘vat, beker’ (IEW 592). Maar mnl. comme kent dezelfde overgang van ‘kom’ > ‘dal’. — Het woord zal eerder samenhangen met gr. kúmbos ‘schaal’, waaraan klankwettig nhd. humpen beantwoordt. Daarom denkt H. Kuhn, Westf. Forsch. 12, 1959, 39 aan ontlening aan een idg. substraattaal, waaruit het westgermaans na de klankverschuiving k > ch het zou hebben overgenomen. — Volgens H. Teuchert, Sprachreste 369-371 is oostvla. komme overgenomen als kumme ‘drinkbak voor het vee’ in de Brandenburgse Mark.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kom znw., mnl. comme, com v.m. “kom, (vollers)kuip, kist, door bergen ingesloten vlakte”. = mnd. kumme v. “kom, schaal, kuip” (nhd. kumme), ags. cumb m. “kom, een maat voor vloeistoffen,vlakte tusschen de bergen” (eng. comb, coomb). Hiernaast mhd. kumpf, komph m. “schotel, kom, een maat” (nhd. kumpf), mnd. kump m. “bak, tobbe”. Ontl. — via ’t Lat.-Rom. — uit gr. kúmbos “bekken, beker” is niet wsch. Veeleer van een genasaleerd germ. ku-m-ƀ - naast kuf-, kuƀ - “gewelfd zijn” (zie keuvel, kuif), waarnaast — secundair? — ku-m-p-. Vgl. ook kop. De identificeering met germ. *kumƀa- “kom” van on. kumbr m. “blok, boomstronk” is mogelijk: voor de bett. vgl. homp. De betrekkingen tusschen de woordgroepen van homp en kom zijn niet zeker vast te stellen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kom. Op ndl. taalgebied komen vormen op -p (= mhd. kumpf enz.) in belg. en ndl. Limburg voor. — Neemt men ontl. van de -b-vormen uit het Rom. aan, zoals Frings Germ. Rom. 95 zeer beslist doet, dat moeten die op -p van de overige worden gescheiden, wat de ontleningshypothese niet aanlokkelijker maakt. — Ags. cumb in de bet. ‘vlakte tussen de bergen’ wordt wel als een ander woord beschouwd, dat aan het Kelt. is ontleend, (vgl. mlat. cumba < gall. *cumba, kymr. cumm ‘dal’, bret. comm ‘trog’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kom v., Mnl. comme + Mdd. en Hgd. kumme, Ags. cumb (dial. Eng. comb): daarnevens Mhd. en Nhd. kumpf; verwant met kop (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

koomp (zn.) kom; Vreugmiddelnederlands comme <1277>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kom, kommetje ‘vaatwerk; iets komvormigs’ -> Duits dialect Kumme ‘vaatwerk (voor matrozen)’; Deens kumme ‘vaatwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kum, kumme ‘groot reservoir, bak, put; vaatwerk in de vorm van een halve bol’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools komięga ‘bootje, schuit, platboomd vaartuig’; Russisch komjága, kamjága ‘uit een boomstam uitgeholde boot; vat, kuip’; Russisch † kúmka ‘theekopje zonder schotel, spoelkommetje’; Oekraïens komjachá ‘bootje, schuit, platboomd vaartuig’; Oekraïens kúmka ‘theekopje zonder schotel, spoelkommetje’ ; Wit-Russisch kamjácha, kamjá ‘trog’; Zuid-Afrikaans-Engels kommetjie ‘vaatwerk; iets komvormigs’ ; Zoeloe inkomishi ‘vaatwerk’ ; Shona komichi ‘theekopje zonder schotel’ ; Indonesisch kom ‘grote aardewerk kop zonder oor’;? Jakartaans-Maleis lampu kom ‘Petromax-lamp’; Negerhollands kommetje, komintji, kom ‘vaatwerk’; Berbice-Nederlands konghi ‘theekopje zonder schotel’; Papiaments kòmchi, kònchi (ouder: kommetsje) ‘vaatwerk’; Sranantongo komki (ouder: komiki) ‘vaatwerk; iets komvormigs’; Arowaks komiki, kuñki ‘vaatwerk’ ; Karaïbisch komiki ‘vaatwerk’; Sarnami komki ‘vaatwerk’ ; Polynesisch kumete ‘vaatwerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kom* vaatwerk 1277 [CG I1, 360]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

976. Op een houtje moeten bijten,

d.w.z.: niets te eten hebben, armoede lijden. Vgl. Handelsblad 19 Juli 1921 (A) p. 5 k. 1: Hoe denk je dat ik aan mijn boterham kom? Door mijn voet te zetten op den nek van het publiek. Overdonderen moet je ze, en ze gepeperd de waarheid zeggen. Daar betalen ze voor. En anders blijven ze weg, en kunnen wij op een houtje bijten; 25 Juli 1921 (A) p. 2 k. 2: De arbeider, die 's winters spek en worst wil hebben, en daarvoor het halve jaar een varken vetmest, kan het nu niet kroppen. Als er niet spoedig en niet veel regen komt, wordt het voor hem strakjes ‘op een houtje bijten’; Amsterdammer 25 Maart 1922 p. 3 k. 4: En dan.... als men (tooneelschrijver) aftandsch wordt en de directies houden vol met hun uitheemsche voorliefde? Dan zit men met een boekenplank vol ongespeelde stukken.... en mag verder op een houtje bijten. Vgl. zuidndl. op de kom of op de kribbe bijten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut