Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kolk - (diepe kuil of put met water)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kolk zn. ‘diepe kuil of put met water’
Vnnl. colc, culc ‘diepte met water gevuld’ in de binnenste sluyse van de culcke upte Delfshaven ‘de binnenste sluis van de doorvaart naar Delfshaven’ [1514; MNW], kolck ‘maalstroom’ [1599; Kil.].
Mnd. kolk, kulk; ofri. kolk ‘kuil, gat’ (nfri. kolk); oe. colc ‘met water gevulde kuil’ nde. dial. kulk ‘strot’; < pgm. *kulka- ‘met water gevulde kuil’. Daarnaast met ablaut: ohd. kelah ‘krop’ (mhd. kelch ‘onderkin’); on. kjalki ‘kaak, slede’ (nzw. kälke ‘sleetje’; deze betekenis kon is ontstaan, omdat dit voorwerp gemaakt werd met dierenkaken); < pgm. *kelkan-, een uitbreiding van de wortel pgm. *kel-, zie → keel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kolk* [maalstroom] {colc 1389} middelnederduits, oudfries kolk, oudengels colc; behoort bij keel1, gorgel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kolk znw. m. v., mnl. colc, culc m. v. ‘kolk, diepte, doorvaart’, mnd. kolk, kulk m. (> nhd. kolk), ofri. kolk, oe. colc ‘kuil met water gevuld’, nde. kulk ‘slokdarm, keel’. — Het woord staat formantisch naast on. kjalki ‘kaak, slede’, nijsl. kálkur ‘handslede’, nzw. dial. kolk, kulk ‘slok’. — slov. glg ‘slok’, — Gutturaal-afl. van de idg. wt. *gel, waarvoor zie: keel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kolk znw., mnl. colc, culc m.v. “kolk, diepte, doorvaart”. = rnnd. kolk, kulk m. (nhd. kolk), ofri. kolk m., ags. colc “kuil, met water gevuld”. De. kulk “keelgat” is ’t zelfde woord. Misschien is deze bet. jong en overdr.: dan zou kolk evenals noorw. kulp “kuil met water” met kuil I verwant kunnen zijn. Ook is de omgekeerde bet.-ontwikkeling mogelijk, dan is keel I verwant, misschien ook kil I. Aangezien de bet. “kuil met water” oer-wgerm. is, is ’t niet wsch., dat kolk en kolken “rommelen (in ’t lijf, boeren laten)” e.a. dgl. woorden alle samen onomatopoëtisch zijn evenals klokken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kolk v., Mnl. colc + Ndd. en Hgd. id., Ofri. kolk, Ags. colc, De. kulk = keelgat, Zw. kolka = slorpen, verwant met keel 1. en verder Lat. gurges, Skr. gargaras, waarover bij gorgel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kolk maken (maakte, heeft gemaakt), iets mooier voorstellen dan het is. Jongens, het is daar op de savanne* lekker fris*. We lopen die vijf kilometer in een uurtje. - Meneer, U maakt kolk! - Etym.: Zie ook kolken*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kolk ‘maalstroom’ -> Javaans kolek ‘in een draaikolk terechtkomen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kolk* maalstroom 1389 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut