Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kolibrie - (vogel van de familie der Trochilidae)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kolibrie zn. ‘vogel van de familie der Trochilidae
Nnl. colobritge(n)s ‘kolibrietjes’ [1705; Merian], eenige colibris ‘enige kolibries’ [1725; WNT].
Vermoedelijk ontleend aan Frans colibri, maar wellicht in Suriname eerst, als colobri, rechtstreeks overgenomen uit een taal die in de regio gesproken werd. De verdere herkomst is onzeker. Misschien gaat de naam terug op een woord in het Galibi, een Caribische indianentaal uit Frans-Guyana, namelijk col-ib(a)ri ‘glanzend oppervlak’, vanwege het heldere groen aan de onderkant van de kop (EDale, NEW). Een andere mogelijkheid is dat de naam teruggaat op Provençaals colobro, de naam van een veldslang, vanwege zijn glinsterende kleuren en opgewonden gedrag (Pfeifer). Een derde mogelijkheid is dat er sprake is van een woord dat negerslaven meegebracht hebben uit Afrika (Friederici).
Lit.: M.S. Merian (1705), Metamorphosis insectorum Surinamensium, Amsterdam, 18

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kolibrie [vogel] {colobridge(n)s 1705, kolibrie 1761} < frans, spaans colibri, ontleend in het Caraïbisch gebied, uit galibi col-ib(a)ri [glanzend oppervlak]; de vogel is genoemd naar het heldere groen aan de onderkant van de kop.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kolibrie znw. m., eerst nnl. < spa. colibri, < fra. colibri, naam van de vogelsoort lampornis gramineus, die de Fransen 1634 op het eiland Cayenne leerden kennen, en die door de inboorlingen col-ib(a)ri ‘glanzend oppervlak’ naar het heldere groen aan de onderhelft van zijn kop genoemd werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kolibrie znw. Nnl. uit spa. colibri. Ook in andere talen ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kolibrie. Het woord is in europ. talen, ook in het Spa., ontleend aan fr. colibri, dat wel uit het Karaïbisch zal afkomstig zijn. Vgl. Loewe KZ. 61, 77 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kolibrie v., uit Karaïb. kolibri.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kolibrie: klein soort voëltjie uit Am. (sp. Trochilus, fam. Trochilidae); Ndl. kolibrie, Eng. en Fr. colibri, uit Kar. col-ib(a)ri, “glansende oppervlak”, t.w. van die heldergroen a. d. onderkant van sy kop.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kolibrie (Frans colibri)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kolibrie ‘vogelsoort’ -> Indonesisch kolibri ‘klein vogeltje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kolibrie kolibrie-achtige 1705 [Meriam, Metamorphosis insectorum Surinamensium] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut