Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kolf - (voorwerp met verdikt of bolvormig uiteinde; soort fles)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kolf zn. ‘voorwerp met verdikt of bolvormig uiteinde; soort fles’
Mnl. colue ‘knots, slaghout’ [1240; Bern.], no yserine colue no andre wapene ‘noch een met ijzer beslagen knuppel, noch andere wapens’ [1287; VMNW]; nnl. kolve, kolf, ook ‘breed uitlopend achtereinde van geweer, pistool of revolver’ [1637; WNT]; nnl. ook ‘glas met bolvormige buik en lange hals’ [1778; WNT].
Os. kolbo (mnd. kolve); ohd. kolbo (nhd. Kolben); on. kolfr (nzw. kolv), nfri. kôle (<*kolve); < pgm. *kulba(n)- ‘kolf’.
Bij pie. *glbh-, de nultrap van *glebh- ‘samenballen’ (waarvan Latijn globus ‘bal’ (zie → globe)), een uitbreiding van de wortel *gel- ‘iets ronds; zich samenballen’ (IEW 357).
kolven ww. ‘het kolfspel spelen; moedermelk afnemen met een borstkolf’. Vnnl. kolven ‘met kolf en bal spelen’ [1581; WNT], ‘moedermelk afnemen’ [1961; Van Dale]. Afleiding van kolf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kolf* [achterstuk van geweer e.d.] {colve 1201-1250} oudsaksisch kolƀo, oudnoors kolfr [bout]; buiten het germ. latijn globus [bol, kogel, klomp] (vgl. globe).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kolf znw. v., mnl. colve v. ‘kolf, knots, knuppel’, os. kolƀo, ohd. kolbo (nhd. kolben) m., on. kolfr m. ‘bout, stang; stompe pijl’. — lat. globus ‘kogel, klomp’, vgl. idg. wt. *glebh ‘samenballen’, waarvoor zie: kalf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kolf znw., mnl. colve v. = ohd. kolbo m. (nhd. kolben; md. in de 12. eeuw colvo m., colva v.), os. kolƀo m. “kolf”, on. kolfr m. “stam van een plant, bout, stompe pijl, klepel”, waarnaast kylfa v. “kolf”. Het naast verwant is oier. gulban, gulpan “prikkel”; veel minder wsch. is de combinatie met lat. globus “bol, klomp” van de basis gelebh-; vgl. klemmen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kolf. De combinatie met lat. globus ‘bol, klomp’ verdient de voorkeur boven die met ier. gulban ‘prikkel’. Vgl. Persson Beitr. 64 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kolf v., Mnl. colve, Os. kolƀo + Ohd. kolbo (Mhd. kolbe, Nhd. kolben) + Lat. globus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kolf (de, kolven), (ook:) cacaovrucht, vrucht van de cacaoboom (Theobroma cacao, Cacaofamilie*). In het algemeen worden de kolven en het zachte weefsel van het blad door verschillende boosdoeners aangetast. De belagers variëren van kleine cacaomotten tot apen en ratten (DWT 10-4-1981). - Etym.: Ook AN, maar in Ned. onbekend. Zie cacaokolf* (syn.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kolf ‘achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen; glas voor het koken of destilleren van vloeistoffen; bloeikolf’ -> Deens kolbe ‘achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen; glas voor het koken of destilleren van vloeistoffen; bloeikolf’ (uit Nederlands of Nederduits).

kolf ‘slaghout voor het kolfspel’ -> Engels golf ‘slagbalspel’; Schots gowf, golf; goulf, goiff, goff ‘balspel’; Duits Golf ‘balspel’ ; Deens golf ‘balspel’ ; Noors golf ‘balspel’ ; Zweeds golf ‘spel met houten bal en slaghout’ ; Fins golf ‘spel met houten bal en slaghout’ ; Frans golf ‘golf (sport); golfterrein; wollen vest (verouderd); golfbroek (verouderd)’ ; Italiaans golf ‘golfspel’ ; Portugees golfe ‘balspel’ ; Tsjechisch golf ‘balspel’ ; Slowaaks golf ‘balspel’ ; Pools golf ‘balspel’ ; Kroatisch golf ‘spel met kleine balletjes en speciale stokken om de bal mee weg te slaan’ ; Macedonisch golf ‘spel met kleine balletjes en speciale stokken om de bal mee weg te slaan’ ; Servisch golf ‘spel met kleine balletjes en speciale stokken om de bal mee weg te slaan’ ; Sloveens golf ‘spel met kleine balletjes en speciale stokken om de bal mee weg te slaan’ ; Bulgaars golf ‘spel met houten bal en slaghout’ ; Grieks gkolf /golf/ ‘balspel’ ; Maltees golf ‘balspel’ ; Esperanto golfo ‘balspel’ ; Turks golf ‘balspel’ ; Koerdisch golf ‘balspel’ ; Perzisch golf ‘balspel’ ; Arabisch (MSA) golf ‘balspel’ ; Indonesisch golf ‘balspel’ ; Madoerees gōlēp ‘balspel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kolf* achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1227. De kolf naar den bal werpen,

d.w.z. het opgeven, den moed verliezen; fr. jeter le manche après la cognée. Bij Sartorius III, 6, 54: de kolf na de bal werpen; 10, 9: ick hebbe de kolf na de bal geworpen; bij Winschooten, 116: ‘de Kolf werpen naa de Bal, is een spreekwoord, waar meede beteekend werd, sig soo wel ontblooten van het een als het ander, het spel gewonnen geeven.’ Zie nog Brederoo, Sp. Brab. vs. 159; Tuinman 1, 178; Harreb I, 29 en vgl. de bijl naar den steel werpen of den steel naar de bijl werpen (Halma); eng. to send the axe after the helve or to throw the helve after the hatchet; hd. der Axt den Stiel nachwerfen. Vgl. Joos, 102; Waasch Idiot. 186 b: de naald bij (of achter) den verloren draad smijten.

1228. Dat is een kolfje naar zijn hand,

d.w.z. dat bevalt hem best, dat is iets naar zijn zin; dat doet hij graag, dat is 'en kaantje nê zen hand, zooals men in de Zaanstreek zegt: ontleend aan het vroeger algemeen voorkomende kolfspelTer Gouw, Volksvermaken, 334 vlgg.. Volgens het Ndl. Wdb. III, 1823 moet men onder kolfje verstaan een kolfslag dien men gemakkelijk maken kan, of van welken men persoonlijk recht ‘den slag’, juist ‘het handje’ heeft. Men zou kunnen vragen of niet eerder te denken is aan den kolfstok, waarmede de bal wordt voortgeslagen. Men voelt bij het kiezen daarvan naar de zwaarte, evenals dit met eene keu geschiedt bij het biljarten. Vgl. Sartorius II, 9, 95: Ad pedem meum quadrat: dat is een kolf nae mijn handt; Pers, 184 a; Kluchtspel II, 103; Rusting, 416; Noozeman's Lichte Klaertje, 6: Wel dit komt nae mijn sin, een kolfje nae mijn hant; Gew. Weeuw. III, 46; Van Effen, Spect. VII, 59; 116; IX, 117; Sewel, 313: Dat is een kolfje naar zyn hand, that is a good thing for him, much at his liking; Harreb. I, 276; Krat. 199; Dievenp. 108; Het Volk, 7 Maart 1914, p. 5 k. 1; Schoolm. 243; Schuermans, 274; Joos, 94; 103; 122; Taalgids IV, 253; oostfri. dat is 'n grâp na mîn hand (Ten Doornk. Koolm. I, 674).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut