Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koker - (iemand die kookt)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. ko’ker (de, -s), (veroud.) arbeider in een suikerfabriek die een kookpan bedient. () Ook daar bij het koken van suikerrietsap wordt vooral in den nacht omzigtigheid vereischt, uit hoofde, dat het ketelwerk soms zeer diep hangt en, zoo als men zegt, eene lage batterij* heeft; de glibberigheid van de stroop kan veroorzaken, dat de kokers () in een’ der ketels vallen (Kuhn 1828: 19; oudste vindpl.). - Syn. panboiler*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut