Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koker - (cilindervormig omhulsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koker zn. ‘cilindervormig omhulsel’
Onl. cocare ‘pijlenkoker’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. enen koker. al uol strale ‘een koker, helemaal vol pijlen’ [1260-80; CG II], lendenniere cokere ‘koker aan de gordel’ [1285; CG I].
Mogelijk ontleend aan *kukur ‘vat, koker’ uit de taal van de Hunnen (BDE, Pfeifer). Er is verwantschap met middeleeuws Latijn cucurus, coccura ‘pijlkoker’ (Niermeyer 2004), Middelgrieks koúkouron en Albanees kukurë ‘id.’, woorden die, waarschijnlijk via het Germaans, dezelfde oorsprong hebben als koker. Volgens sommigen (FvW, Toll., EDale) is koker via het Latijn van het Grieks afgeleid.
Os. kokar; ohd. chohhar, chohhâri (nhd. Köcher); ofri. koker (nfri. koker); oe. cocer (ne. vero. cocker; naast ne. quiver ontleend via Oudfrans quivre, coivre, waaraan mogelijk een Frankische vorm ten grondslag ligt); < pgm. *kukara-. Ontleend aan het pgm. is wrsch. Fins kukkaro ‘geldbuidel; beurs, tas’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koker [etui, huls] {oudnederlands cocare 901-1000, middelnederlands coker [pijlkoker, naaldenkoker, koker]} < middeleeuws latijn cucurus, coccura < byzantijns-grieks koukouron [pijlkoker]. In de uitdrukking dat komt niet uit zijn koker [dat komt niet uit zijn eigen brein] betekent koker ‘pijlkoker’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koker znw. m., mnl. cōker, onfrank. cocar m., mnd. kōker, ohd. chohhar, chohhari (nhd. kocher), ofri. koker, oe. cocer, cocor m. < mlat. cucurum < mgr. koúkouron (9de eeuw). Voor het frank. mag men aannemen de vormen *kokar en *kukur (waaruit ofra. cuivre > ne. quiver). Het schijnt dat deze woorden uiteindelijk teruggaan op een oostturks woord, misschien door bemiddeling van huns *kukur, waarmee men verder vergelijkt fins kukkaro ‘buidel’.

J. H. van Lessen Ts. 56, 1937, 1-6 vergelijkt ne. cock < nde. kok ‘hooihoop’, en verder zw. dial. kokkel ‘aardkluit’, nnoorw. dial. kokle, kukle ‘klomp’, waarvoor zie: kogel en kokker. Er is geen reden, een woord als koker met bobbel en dgl. als een klanknabootsend woord te beschouwen. — In de bet. ‘kardoeskoker’ > russ. kókor, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. A W Amsterdam 66, 2 (1959), 48.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koker znw., mnl. cōker m. = onfr. cocar m., ohd. chohhar en chohhari (nhd. köcher), mnd. ofri. kōker, ags. cocer, cocor m. “koker”. Uit mlat. cucurum (< byzantijnsch koúkouron, russ. kókor “patroontasch”). Eng. quiver “pijlkoker” gaat via ofr. cuivre ook op mlat. cucurum terug.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koker m., Mnl. coker, Os. cocar, gelijk Ohd. kohhâri (Mhd. kochǣre, Nhd. köcher), Ags. cocur, uit Mlat. cucurum (Ofra. couire, cuivre). Het Eng. quiver komt uit het Fr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I.: ko’ker (de, -s), naam voor een aantal voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing, i.h.b. van de waterlozing: I. duiker of ondergrondse buis voor de toevoer of afvoer van water. Toen de koker de eerste keer werd blootgesteld voor de reparatie was ik in Nickerie (). Ik verzuimde natuurlijk niet een kijkje te gaan nemen bij de kokerbouw (Waller 92). - 2. afvoerput in de vorm van een verwijding van een goot*. De straat werd smaller. Erik werd bang dat hij in de kokers van de goten* aan de kant van de weg terecht zou komen (Dobru 1968c: 62). - 3. straatputje. - Etym.: In veroud. AN k. = o.m. bet. 1. Vermoedelijk is bet. 1 de oudste (oudste vindpl. not. van 1745; S&dS 541) en zijn de andere twee daar achtereenvolgens van afgeleid. Bet. 1 ook in het E van Guyana (D.g.f. 39). S kokro = 1, 2 en 3. - Zie ook: looskoker*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Koker snw., omhulsel van die teellid van ’n perd; ook die teellid self. – Ter Laan 443: “Koker, het omhulsel van het teellid van een hengst;” Van Schothorst 157: Kōkǝr, penis v.e. paard.” Ook by Hoeufft “Koker = de buis, welke het teellid van eenen hengst bevat, en ook het teellid zelf;” Corn. en Vervl.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koker (Latijn cucurum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koker ‘etui, huls; ondergrondse buis voor waterlozing’ -> Engels koker ‘sluis(deur)’; Deens kogger ‘pijlenkoker’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kogger ‘pijlenkoker’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds koger ‘etui, huls’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch kókor, kóker ‘kardoeskoker’; Indonesisch koker ‘schacht’; Papiaments † kokkertsje ‘etui, huls’; Sranantongo kokro ‘duiker; huls’; Sranantongo kokriki ‘sigarenkoker’; Arowaks kokoro ‘duiker onder een weg’; Sarnami kokro ‘duiker (onder een brug)’; Surinaams-Javaans kokro ‘duiker (voor water), buis’ ; Caribisch-Engels koker ‘duiker als onderdeel van een waterbeheersingssysteem; sluisdeur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koker etui, huls 0901-1000 [WPs] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1225. Dat komt uit zijn koker,

d.w.z. dat heeft hij gedaan, daar is hij de bewerker van. ‘De gelijkenis is ontleent van de pijlkokers der ouden, waar uit schichten getrokken en geschoten wierden’ (Tuinman I, 348). Vgl. Servilius, 216: die pyl is wt dynen pylkoeker niet gecomen; Symon Andriessoon, Duytsche Adagia ofte Spreecwoorden, p. 90: die pijlen comen wt uwen coker niet, dat is dat selve en coempt wt uwen verstande oft wetenschap niet. Zie verder Hooft, Brieven, 399; 577; Ged. I, 275; Vondel, Noah, 481; Poirters, Mask. 23; Coster, 67, vs. 1685; Winschooten, 119; Gew. Weeuw. I, 38; Pers, 432 a; 666 b; Huygens I, 196; Halma, 277: Dat komt uit zijnen koker niet, dat heeft hem een ander ingegeven; Harreb. I, 429 b; Waasch Idiot. 361 a; Antw. Idiot. 1833; Suringar, Erasmus, LXXIV en bl. 494; Jord. 234: Het giftigste gekonkel kwam uit zijn koker. Vgl. nog: dat is in zijn' winkel gesmeed (Tuinman I, 348 = fr. cela vient de sa boutique); hd. das ist nicht in seinem Topf gekocht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut