Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koffer - (stevige reistas; laadruimte in een personenauto)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koffer zn. ‘stevige reistas; laadruimte in een personenauto’
Mnl. couer, cofer ‘stevige mand, kist’ in van enen slote tote den couere ‘voor een slot op de kist’ [1285; VMNW], twe coufere gevult van goude ‘twee kisten gevuld met goud’ [1350-1400; MNW coefer], ook al ‘kist voor vervoer’ in den brief ... in des bode coffer ‘... de kist van de bode’ [1481; MNW coffer]; vnnl. coffer ‘kist of reistas voor vervoer’ in de cofferen packen ‘de reiskisten, koffers inpakken’ [1558; WNT]; nnl. koffer ‘laadruimte van een personenauto’ [1926; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Oudfrans coffre ‘(geld)kist’ [1291; Rey], cofre ‘kist, korf’ [ca. 1165; TLF], door dissimilatie via *cofne ontwikkeld uit Laatlatijn cophinus ‘kist, koffer, korf’, ontleend aan Grieks kóphinos ‘korf’, wrsch. een leenwoord uit een voor-Griekse taal.
In het Frans ontstond o.a. de betekenis coffre ‘bagagebak aan de achterzijde van een rijtuig’ [1690; Rey], vanwaar ‘laadruimte van een personenauto’ [eind 19e eeuw; Rey]. Deze laatste betekenis is ook in het Nederlands ontleend, maar is alleen algemeen bekend in het BN; in het NN verkiest men de samenstellingen kofferruimte [1937; Vaderland] of kofferbak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koffer [reistas] {coffer 1300} < frans coffre [idem] < middeleeuws latijn coffrus, copherus, koforus [kist, geldkist], aansluitend bij cophinus, coffinus [korf, mand] < grieks kophinos [draagmand], aan een niet-geïdentificeerde taal ontleend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koffer znw. m., mnl. coffer, cofre, cofere < ofra. cofre, een afl. van een woord zonder r-uitgang zoals ital. coffa, spa. cofa, cofe ‘mastkorf’ < arab. ḳuffa ‘diepe korf, draagkorf’ (dit woord mogelijk weer < gr. kóphinos < lat. cophinus ‘korf’ (Lokotsch Nr. 1225).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koffer znw., mnl. coffer m. o. “koffer, kist”. Uit fr. coffre (vulgairlat. cofinus — lat. cophinus, gr. kóphinos). Ook in andere talen ontleend. Mnl. cōfer, coefer, coufer m. o. “koffer, kist” komt van ofr. cofre, dial. (noordelijk) coufre. De jongere nnl. vorm koffert komt ook ndd. voor: koffert, kuffert, waaruit de. zw. koffert, noorw. kuffert.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koffer. Of fr. coffre rechtstreeks uit lat. cophinus, gr. kóphinos is ontwikkeld, is niet zeker. Misschien behoort het met gr. kóphinos tot een groep van niet-idg. zwerfwoorden met onderling gelijkend consonantisme die in verschillende talen om de Middell. Zee voorkomen en op een grondwoord wijzen met een bet. als ‘gevlochten vaatwerk’. Zie over deze woorden Marcel Cohen BSL. 27, 1, 81 vlgg., waar ook de onder karaf, kof, kop, korf, kuip genoemde lat. of rom. woorden ter sprake komen. Discussie en verdere bijzonderheden (b.v. over mogelijke herkomst van het grondwoord uit het Polynesisch: Cohen BSL. 28, 2, 48 vlgg.) liggen buiten het bestek van een nederl. etymologicon.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koffer m., gelijk Hgd. koffer en Eng. coffer, uit Fr. coffre, van Lat. cophinum (-us), Gr. kóphinos = mand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kof’fer (de, -s), grote, houten kist voor het opbergen en vervoeren van persoonlijke bezittingen. Vele vaten, kisten, koffers, valiezen*, baskieten * en andere zaken moeten vervoerd worden (J&L 1920a 9). - Etym.: In AN veroud. S kofroe bet. zowel SN koffer als AN koffer. - Zie ook: valies*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koffer (Frans coffre)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koffer ‘reistas’ -> Duits Koffer ‘reistas’; Deens kuffert ‘reistas’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors koffert ‘reistas’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools kufer, kufra ‘reistas’ ; Hongaars koffer ‘reistas’ ; Indonesisch koper ‘reistas’; Ambons-Maleis kòfor ‘reistas’; Boeginees kôporó ‘reistas’; Jakartaans-Maleis koper ‘reistas’; Javaans koper, kopor ‘reistas’; Kupang-Maleis kòfor ‘reistas’; Madoerees kopēr ‘reistas’; Makassaars kôporó ‘reistas’; Menadonees kòfor ‘reistas’; Minangkabaus kopor ‘reistas’; Soendanees kompor ‘reistas’; Ternataans-Maleis kòfor ‘reistas’; Berbice-Nederlands kofru ‘reistas’; Sranantongo kofru ‘reistas, kist’; Sarnami kofru ‘reistas’; Surinaams-Javaans koper ‘reistas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koffer reistas 1300 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1232. Naar (de) kooi gaan,

d.w.z. naar bed gaan; hd. in die oder zu(r) Koje gehen (Schrader, 292; Kluge, Seemansspr. 469); oostfri. to kôi gân; eene zeemansuitdrukking. Onder de kooi verstaat men de slaapplaats voor scheepsgasten; vgl. Kiliaen, 310: Koye int schip, cubile nauticum, lectulus nautae; Winschooten, 118; Huygens, Scheepspraet, 17: Mouringh was te koy ekropen; vgl. Halma, 280: Gaa naar kooi, couchez vous. Synonieme uitdrukkingen zijn: in de mat kruipen (De Vries, 83Vgl. fri. matte, duivenhok, nachthok voor kippen.); te vak goan (Molema, 439); naar zijn nest naar de koetscoupé gaan (Jong, 178), naar de couché gaan, naar den koffer (fr. aller dans son nid), zijn mandje, zijn koets gaan, den poetszak ingaan, gaan (Köster Henke, 35), op den koffer kruipen; ook koffertje (zie Peet, 131), in zijne pijp kruipen (Antw. Idiot. 961; De Bo, 856) en naar de pijp gaan (in Gelderland, Gallée, 93 b en in Limburg, Welters 107), waarbij men bedenke, dat de woonplaats van wilde konijnen, dassen en vossen eene pijp genoemd wordt; naar zijne douw (wieg?), zijne schelp gaan (Schuerm. 103 a); in Limburg: tusschen de schummele (= schimmels, witte paarden) goân; in Groningen in 't vijrkant goan (Molema, 463 b); fri.: op 't fjouwerkant gean; op 'e prikke gean; naar zijnen eemer gaan (Antw. Idiot. 394); naar Bethlehem gaan (vgl. Paffenr. 70: Zijn kwartier te Bethlehem nemen), woordspeling met bed (Antw. Idiot. 221; 't Daghet, XII, 142); naar Betje van Veeren (in de Lakenstraat) of naar Kaatje in de Wolstraat gaan; naar Betje Bultzak gaan (Harreb. II, LXXXII); in (of onder) de wol kruipen (Onze Volkstaal II, 120); naar de Vierhoekstraat gaan; de klossebak ingaan (Boekenoogen, 458). In Zuid-Nederland: naar zijn bak (vgl. hd. Penne), zijn kooi, zijn keet, zijn pier (zie Ndl. Wdb. XII, 1564), zijn kevie, zijn sjees gaan; in zijnen polder kruipen; dodo gaan; vgl. hd. in die Federallee spazieren, in die Federredoute gehen, ins Federfeld springen, sich nach Federhausen verfügen, nach Lagerhausen oder Bethlehem gegen, nach Posen umsehen (Schrader, 313); in die Falle oder die Klappe gehen, nach Interlaken reisen; fr. se mettre entre deux draps, dans les toiles; aller au pieu; se coller dans le pieu; eng. to get between the blankets (or sheets); to go to the land of Nod; to go to Bedfordshire; to fluke.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut