Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koekeloeren - (zonder bezigheid uitkijken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koekeloeren1 [zonder bezigheid uitkijken] {kokeloeren, kokerolien 1599} nederduits kukeluren [zitten uitkijken]; de betekenis is eig. ‘een leven als een slak in zijn huisje leiden’, want het is een afleiding van kokeloer, kokerol [slak] {1599} < oudfrans coque [grote holle schelp] < latijn concha [mossel, schelp] (vgl. kokkel), o.i.v. loeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koekeloeren ww. 1. ‘kijken’, 2. ‘kraaien van de haan’. Eerst bij Kiliaen kokeloeren, kokerolien ‘een leven als een slak in zijn huisje leiden’, nnd. kukeluren ‘zitten uit te kijken’. — Er is reden uit te gaan van Kiliaen kokeloer, kokerol ‘slak’ en ‘een mens die het leven van een slak leidt’ (uit het Romaans? vgl. ital. chiocciola van lat. cochlea ‘schelp’ Of bij fra. coquille ‘schelp’ van coque, dat in het normand. sedert de 15de eeuw een eetbare mossel betekent). Door de uitgang ontstond een associatie met loeren, waardoor de nadruk ging vallen op het ‘loerend zitten kijken’ (Heeroma Ts. 63, 1944, 25).

Het woord voor het kraaien is natuurlijk een klankwoord om het geluid na te bootsen, vgl. kukeleku. Het vertoont een rijmverdubbeling evenals tureluren en tierelieren. H. J. van Lessen Ts. 61, 1942, 213-228 wil nu ook het andere koekeloeren zo opvatten en wel als een verbinding van koeken, vgl. nhd. gucken + loeren (gucken ‘kijken’, maar ook ‘kraaien’). Daarmee wordt de verbinding met kil. kokeloer doorgesneden, want koekeloer ‘sukkel’ zou uit koekeloeren afgeleid zijn. Niet aannemelijk. Bedenkelijk is ook de verklaring van de Tollenaere PBB 66, 1942, 345-350, die eveneens wil uitgaan van de bet. ‘kraaien van de haan’ en daaruit afleidt die van ‘in eenzaamheid met iets bezig zijn’, daar de haan ook graag alleen op een hoge plaats pleegt te kraaien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koekeloeren ww., nog niet mnl. Ook ndd. kukelúren “zitten te koekeloeren” (vandaar in ’t Skandin. overgegaan). Kil. kent kokeloeren = kokerolien “cochleae vitam agere: domi latitare” en kokeloer = kokerol “cochlea. et Homo cochleae vitam agens”. Met ’t oog op vla. kokeduinen ( = kaduinen) “dood maken, vernielen”, kokkerullen “met zijn tweeën of drieën in ’t geheim praten” e.a. woorden met koke-, kokke- is ’t aannemelijk, dat koekeloeren uit dit prefix + loeren bestaat. Van invloed kan ook het door Kil. genoemde kokerol zijn geweest, dat op fr. caracole “slakkenhuis, draaiing, wending (bij dans en paardrijden)” teruggaat (< spa. caracol, wel uit ’t Arab. afgeleid). Anderzijds is Kil. kockeloeren “kraaien (van den haan gezegd, of: zooals een haan), klokken” bezwaarlijk van koekeloeren te scheiden; dit woord maakt ook een andere hypothese aannemelijk: dat koekeloeren onomatop. is; hoe het dan aan den uitgang -oeren komt, is moeilijk te zeggen. Ofr. coquelourde “personne niaise” bij Charles d’Orléans zal wel niets met koekeloeren te maken hebben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koekeloeren. Schrap wat tussen () over de afl. van fr. caracole wordt gezegd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koekeloeren ono.w., + Ndd. kukeluren, van *koekeloer (bij Kil. kokeloer, kokerol = slakkenhuis, De. kukelur = zeeslak), d.i. karkool (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

koekeloer ww.
1. (verouderd) Die tyd passief, ledig of lusteloos verwyl. 2. Skelmpies, onopsigtelik, koketterig of op 'n onbehoorlike, bespiedende wyse loer. 3. (ongewoon) Ogies maak vir of aanlê by iemand.
In bet. 1 uit Ndl. koekeloeren (1635). Bet. 2 en 3 het in Afr. self ontwikkel.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Koekeloer ww., skelmpies kyk (veral van kinders wanneer hul hul oë moet toehou). Die gewone Ndl. betekenis van die woord: “leeg, werkeloos zitten te kijken” (Van Dale), is my in Afrikaans onbekend. – Schuermans 271: “koekeloeren... Het beteekent ook: loeren, iets afkijken (Brab.);” Ten Doornk. Koolm. Kukelúren, von einem Versteck aus wonach kucken u. spähen.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Koekeloeren, meestal met zitten verbonden, en dan = zitten kijken met bijna altijd de bijgedachte van afgezonderd, eenzaam, stil, vreemd. Wolff en Deken, C. Wildschut 5, 269: “Om eens te zien hoe Madam daar (t.w. in een verbeterhuis), zit te koekeloeren”; Erasmus, Colloquia Famil. 363 b: “Ghy schijnt my een slecken leven te leijden... Om dat ghy staegh binnens huys sit en koekeloert (= zit te k.)”. Cats 1, 627 b heeft het zonder die bijgedachte: “Nu sit hy en koekeloert Als een die bruyloftsgasten vaert”. Heden meermalen bij de nieuweren: Querido, Jordaan 256: “De lucht in koekeloeren”; d’Oliveira, Jongere Generatie 149: “Dat hij... over mij heen naar buiten koekeloerde”. Vroeger verklaard als uit koeken en loeren samengesteld, koeken dan = hgd. gucken. Tegenwoordig beschouwd als afgeleid van een der vele vervormingen van het woord karakol, een nog gebruikte naam voor de wijngaardslak; = spa. cacarol en caracol = slak met gedraaid huisje, schelp, wenteltrap, dans, zwenking van een paard; welk woord afkomstig schijnt van ’t arab., waar een ww. karkara = draaien bestaat. Naast karakol komen ook de vormen karkol, karkool, krakool voor, maar wat voor ons belangrijker is, Kil. geeft een vorm kokerol en kokeloer, = spa. cacarol = iemand, die als een slak leeft, en daarnaast een ww. kokeroliën, koekeloeren = een slakkenleven leiden, stil thuis zitten. Het Deensch kent ook een ww. kukelure = zitten droomen, in huis zitten. Met dezen vorm
kokeloer komt ook zeer veel overeen het vla. kokkerel of koekerel voor tol. Een andere afleiding is het ww. kokerellen (Kil. kockerillen, Plant. kakerollen = mommen) voor feestvieren vooral op vastenavond; waarsch. ronddansen, nu nog in Vla. voorkomend, en het bij de Rederijkers bekende cocorul voor een dichtsoort, wellicht eig. een danslied. Het woord kokerellen wordt bij ons nog gebruikt, maar waarschijnlijk door volksetymologie (gedachte aan kok of aan een frequentatief of dimunitief van koken) voor: iets koken op eenvoudige wijze, zonder hulp, beknopt (zelf wat kokerellen, of kokkerellen). In ’t vla. komt nog voor kokkerulle = hut, en kokkerullen = ergens in ’t geheim zitten praten. Bij al deze woorden, waarbij de bet. uitgaat òf aan een slakkenhoorn of althans van het denkbeeld draaien, òf van het denkbeeld eenzaam zitten, is het niet noodig aan een afkomst van eenzelfde woord te denken, er kunnen er bij zijn, die op verschillende tijden op nieuw zijn ontleend aan of onder den invloed gekomen van woorden in andere talen, die teruggaan op een caracol, dat verschillende beteekenissen had, alle met draaien in verband staande. Zoo kon men wel zeker zeggen, dat het vla. karakollen = heen en wedergaan later uit het fra, caracoller is overgenomen. Nog een afstammeling van deze zelfde familie hebben wij zeker te zien in kakalol, mij bekend als benaming voor een oudmodisch, vreemd model hoed.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koekeloeren, een dubbelwoord, van koeken (Hgd. gucken) = kijken en loeren = òòk kijken. Voor koeken vgl. koekoek: een dakvenster om er uit te kijken. – Anderen denken aan kokeloer = slakkenhuis (als een slak in zijn huisje zitten te kijken?).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koekeloeren ‘zonder bezigheid uitkijken’ -> Deens kukkelure ‘in je eentje zitten kijken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kukelure ‘stil zitten te peinzen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koekeloeren zonder bezigheid uitkijken 1599 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut