Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koek - (soort gebak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koek zn. ‘soort gebak’
Eerst in samenstellingen en afleidingen: onl. pancoca ‘bijnaam voor pannenkoekenbakker’ [1187; Debrabandere 2003]; mnl. coukemakre ‘koekenbakker’ [1284; VMNW], mac mi een coekelkin ‘maak een koekje voor mij’, een gherstijn coekelin ‘een gerstekoekje’ [1285; VMNW], si en aten coken no broet ‘zij aten koeken noch brood’ [1300-50; MNW-R].
Os. kōkelīn (verkleinwoord; mnd. kōke); ohd. kuocho (nhd. Kuchen); oe. cēkil (verkleinwoord met umlaut); ofri. kōke(backer) ‘koek(enbakker)’ (nfri. koeke) < pgm. *kōkan- (m.). Daarnaast staan pgm. *kakō- (v.), waaruit on. kaka (nzw. kaka en door ontlening me./ne. cake, zie → cake en → kaakje); en pgm. *kuk(-ila)-, waaruit oe. *cycel (vne. kichel). Alle woorden betekenen ‘baksel, koek e.d.’. Pgm. *kak- is ontleend als Fins kakku ‘koek’.
Verdere herkomst onduidelijk. Deze woorden zijn uitsluitend Germaans, vertonen een ongewone stamklinkervariatie, en de pre-Germaanse wortelstructuur *gVg- (V = klinker) is met zijn twee stemhebbende occlusieven niet Indo-Europees.
Het verkleinwoord koekje is in het Amerikaans-Engels overgenomen als cookie ‘koekje, biscuitje’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koek* [zoet gebak] {co(e)ke, coec 1300} middelnederduits koke, oudhoogduits kuohho, oudengels cœcel, cycel als verkleiningsvorm; daarnaast met ablaut oudnoors kaka, hetgeen pleit voor germ. herkomst. De etymologie echter is onbekend. Sommigen leiden af uit het romaans, vgl. koken1. In de uitdrukking de koek is op betekent koek waarschijnlijk ‘geld’, vgl. middelnederlands coecke [voorwerp in de vorm van een koekje, penning, bezant].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koek znw. m., mnl. coeke, couke m. v., mnd. kōke m. v., ohd. chuohho (nhd. kuchen) vgl. os. kōkelīn, oe. cēcil. — Abl. met on. kaka v. ‘koek’, noors, zw. kaka ‘klein rond en plat brood’ (Heinertz Fschr. A. Kock 1929, 145-8). — Daarnaast staan nnoors. dial. kōk ‘aardkluit’, nzw. kōka ‘aardklont’. De bet. ‘koek’ gaat dus uit van een min of meer plompe vorm van het deegstuk. — lit. gúoge ‘koolkop’ (IEW 349). — Germ. *kōkan > prov. coco, pikard. couque (daarvan weer Cocānia ‘Luilekkerland’, vgl. mnl. Cockaenge) en germ. *kakan > fins kakko, laps gakko. Er is geen reden om hier aan woorden uit de kindertaal te denken (Kluge-Mitzka 408). — In franse dialecten aan de taalgrens is het woord als couque overgenomen (Valkhoff, Nph 18, 1933, 1-2). — Het verkleinw. koekje werd overgenomen in het amerik. slang als cookee, cooky (vgl. Bense 52).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koek znw., mnl. coeke, couke m. v. = ohd. chuohho (nhd. kuchen) m., mnd. kôke m. (v.) “koek” (os. al kôkelîn, in samenst.), noorw. dial. kôk m. “aardkluit”; oudags. de afl. coecil m. “koek”. Met ablaut de. kage, noorw. dial., zw., ijsl. kaka v. “id.” (> eng. cake, zie kaakje), angl. cecil, ws. cicel m. “id.”. Oorsprong onbekend. De combinatie met lit. güˊge, góge “kop” is onzeker, maar althans mogelijk. De ablaut maakt germ. oorsprong wsch. Sommigen nemen echter rom. oorsprong aan: vgl. pic. conque, Languedoc coco, catal. coca enz. “koek”. Veeleer echter komen deze uit ’t Germ. evenals finsch kakko “koek”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koek. “Lit. gů'ge, goge”, lees: “lit. gúogė”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koek m., Mnl. coeke (waaruit Fr. couque) + Ohd. kuohho (Mhd. kuoche, Nhd. kuchen), Ags. dimin. cécel; daarnevens met ablaut, On. kaka waaruit Eng. cake en Finn. kakko (Zw. id., De. kage) (vergel. voer, varen): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kook (zn.) koek; Aajdnederlands coca <1187>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

koek (de, -en), koekje (het, -s), (ook, meestal in negatief verband, geen koekje) gemakkelijke, meegaande mens. Ze was allesbehalve een koekje op school. Van alles wat om haar heen gebeurde maakte ze een grap (BN 120: 54; 1980). - Etym.: AN k. = o.m. iets dat gering of waardeloos is; de uitdr. ’iets voor zoete koek slikken’ betekent ’iets voetstoots aannemen, iets onkritisch aanvaarden’. Misschien is er verband met dit alles, gezien het volgende cit.: Dit zou onze kennis weer niet erg vinden, maar ze weet, dat haar man ook geen zoete koek is en haar vriendin evenmin is voor een kleintje vervaard... (C. Ooft).
— : de koek, (veroud.) vergroting van de milt als gevolg van hypertrofie, veroorzaakt door malaria. En wyl gezeten, komt een stoet van zieke slaaven:/ Deeze is behebt met koorts, en die met Venusgaaven;/ De een klaagt van beljak*, een ander heeft de koek (P.F. Roos 1804, cit. volgens Lichtveld & V. 207). - Etym.: Sluit min of meer aan bij AN k. = o.m. een min of meer samenhangende, samengeklonterde massa (bijv. van opgedroogd bloed). S koekoe = o.m. milt; vergroting van de milt. Oudste vindpl. Stedman 1796: 472 (E spelling: the kook).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Koek snw. Segsw.: Die koek het in die as geval, die saak is bederf, het misluk. Ook: Hulkoek het in die as geval, dit is met hul vriendskap uit. – Stoett no. 2367 haal aan uit Westerbaen I, 68: Och, het hout is heel verkurven en de pannekoeck in d’ as, in dieselfde betekenis. Ook nog De Bo 54: “Het is in de asschene gevallen, de zaak is mislukt, het plan is verijdeld. (Wordt eig. gezeid van de heetekoek die, als men hem omkeert, van het ijzer afvalt in de asschen.)” Sien ook Ndl. Wdb. II, 715.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

koek. Bij Bredero komt voor o gants sacker koek en vijgen. Deze bastaardvloek is gemodelleerd naar o gants sacker vijven, een verbastering van ‘Gods heilige vijf wonden’. Vijf werd op enig moment niet meer als telwoord aangevoeld en vanaf dat ogenblik met opzet verbasterd en vervangen door vijg of andere vruchten en versnaperingen. → vijg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koek, koekje ‘zoet gebak; kleine koek als versnapering’ -> Engels cookie ‘broodje (Schotland); biskwietje (VS); cakeje’; Schots cookie, cukie ‘eenvoudig broodje; prostituee’; Deens cookie ‘kleine koek; programma dat internetgegevens opslaat op harde schijf’ ; Frans dialect couque, cucquelin, coûkèbake, couquebaque ‘soort (kruiden)koek of boekweitflensje’; Zuid-Afrikaans-Engels cake ‘honingraat’; Noord-Sotho kuku ‘zoet gebak’ ; Tswana kuku ‘zoet gebak’ ; Zoeloe kukisi ‘gebakken brood’ ; Zuid-Sotho kuku ‘zoet gebak’ ; Amerikaans-Engels cookie, cooky, cookey ‘biskwietje; programma dat internetgegevens opslaat op harde schijf’; Negerhollands koeki, kuki, kukkie ‘zoet gebak’; Berbice-Nederlands kuku ‘zoet gebak’; Papiaments kuki (ouder: koeki) ‘zoet gebak’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo kuku ‘taart, zoet gebak’; Aucaans koekoe ‘gebak, koekje’; Saramakkaans kúku ‘gebak, suikergoed, cassavebrood’ ; Arowaks kuku ‘gebak’ ; Sarnami kuku ‘zoet gebak’; Surinaams-Javaans kuku ‘zoet gebak’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koek* zoet gebak 1300 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

840. Zijn haring braadt daar niet,

d.w.z. hij is daar niet welkom, niet gezien; eig.: ‘men braadt daar voor hem geen haring (d.i. panharing)’. Ook zeide men: zijn bokking wil daar niet braden; zie Winschooten, 77: Mijn Haaring en braad daar niet, dat is, oneigendlijk, ik heb daar geen vriendschap te verwagten; Huygens, Cluysw. 63: (Sy) raeckten schier geen' straet, om metter vaert te zijn daer beider haringh braedt, d.i. waar hun potje te vuur stond, waar hunne belangen hen riepenVgl. lat. ferrum tuum in igne est, het geldt uwe belangen (Otto, 135).; Cats I, 987:

De vryer praet van op te staen,
Hy denckt sijn haring braet' er niet
Na hy het daer gebakent siet.

Halma, 206: Zijn haring braad daar niet, hij is daar niet gezien; mijn haring braad daar niet, ik heb van daar geen gunst te wagten; Sewel, 307; Esopet, Leuterbol, 8: Mijn haring braat hier niet wel: het vuur is te heet; Ndl. Wdb. III, 987; V, 2214; Antw. Idiot. 551; Waasch Idiot. 286 a; Teirl. II, 17; Harreb. I, 285; II, XXVII; Boekenoogen, 296: zijn haring braadt hier niet, het bevalt hem hier niet, het gaat hem niet naar zijn zin; in het fri. myn hearring bret hjir net, 't is hier geen koren op mijn molen (Fri. Wdb. I, 233 b); hd. sein Hering wird hier nicht gar braten (Wander II, 532). In Kl. Brab. zegt men hiervoor: ergens niet veel botermelk likken; vgl. ook zijn boontjes weeken daar niet (V. Eijk, III, 40); zijn penning geldt hier niet (zie Ndl. Wdb. XII, 1088); zijn koek is hier op, hij heeft hier de genegenheid verloren (Waasch Idiot. 359); zijn koren groeit hier niet (Harreb. I, 140); in het Antw. zijne winkel draait hier niet, hij heeft hier geen bijval.In Antwerpen bestaat nog een spelletje: Mag ik mijn haringsken eens braden; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, I, 229.) Vgl. in het eng. come uncalled and find no hearing.

1212. Koek en ei zijn,

d.w.z. dikke vrienden zijn, het geheel met elkander eens zijn; pot en God zijn (De Bo, 888 b); ééne gort in éénen pot zijn (Halma II, 661 cZie ook Tijdschrift XXI, 158; 202; Eckart, 166.). De oorspronkelijke zin zal wezen: twee lekkere dingen zijn, twee zaken van ongeveer dezelfde waarde, die weinig van elkander verschillen; op personen toegepast twee menschen met ongeveer dezelfde neigingen, die goed bij elkander passen, met elkander overeenkomen. Men zou dat opmaken uit een citaat uit de 15de eeuwTijdschrift XX, 246. ‘Wi en moghen neit hebben koeke ende ey, wij en moghen neit hebben onsen wille op erterike ende die eweghe blijtschap in hemelrike’, waar koek en ei beteekent twee verschillende aangename dingen. Ook eene plaats uit Smetius, 215: het is koeck en eyeren, ejusdem furfuris et farinae, dus twee koekjes van hetzelfde deeg, zooals wij zouden zeggen (fr. des choses de même farine), versterkt deze meening. De uitdrukking komt in de 17de eeuw o.a. voor bij L. Zasy, Borgerl. huyshoudingh, 1628:

Want ick hebt wel so veer met schoon praten ghebrocht,
Dat wy als Ey en Koeck d'een d'ander soet aensaghen.

Zie verder Historie der Queesters, 330: We hebben altijd een Ey en een Koek geweest, en een lijn getrocken; C. Wildsch. III, 268: Bethje is bij Oom schering en inslag, koek en ei; evenzoo bl. 342; IV, 43: Wij waren vóór ons trouwen koek en ei, scheering en inslag; Harreb. I, 177; Camera Obsc.7, bl. 166; O.K. 131; Nkr. IV, 26 Juni p. 3; VI, 21 Dec. p. 6; Handelsblad, 15 Aug. 1913, p. 6 k. 4 (avondbl.); Het Volk, 17 Jan. 1914, p. 5 k. 2; Het Volk, 12 Aug. 1915, p. 2 k. 3: In hare officieele telegrammen laat de Russische regeering het voorkomen alsof het in haar land alles koek en ei is (geen ontevredenheid is); eveneens in dien zin in Het Volk, 3 April 1915, p. 21 k. 1: Onze krant bevat heel wat militaire klachten betreffende de landmacht. Dat wil niet zeggen, dat het bij de zeemacht alles koek en ei is; Tijdschrift X, 202; 304 en vgl. het gron. t'is ijn boksem en wams (Molema, 48 a); zy zijn kaaren als de duim en voorste vinger (Tuinman II, 76; nd. se sünd ên Kopp un ên Noars; in het eng. they are like finger and thumb; hand and glove); Wander II, 7; I, 759; IV, 678; Grimm V, 2499: ain Kuch und Aier; ein Kuch und ein Mus; et is ein Arsch un ein KaukenKorrespondbl. XXVII, 63 (Brunswijk).; enen Kuk on en Ei (Eckart, 299); se sünt en Ei un ên Dop (93) of se sind ên Eierkôken (94); in het fri. hja binne broek en wammes. In Zuid-Nederland: 't is zoetemelk tusschen die twee (zie Loquela, 603).

1213. De koek of het lekkers is op,

d.w.z. het prettige, aangename, het plezier is voorbij; Harrebomée I, 426. Wellicht moet in deze uitdrukking koek oorspr. worden opgevat als geld; vgl. Halma, 275: Koek, silveren klomp van 150 mark; Sewel, 403; Antw. Idiot. 685: koek, erfgift (vgl. fr. partager le gâteau, de winst deelen); Brederoo, Moortje, 153: Diens (kooplieden) sonen so diep gaen en teren aars noch aars als grave kindren, die 't achten veur een treusneus, dat men duysent kroonen opset, en so komt datter mennich haar goedtjen en heur koeck (geld) op het. Toen men later deze beteekenis er niet meer in gevoelde, kan men aan iets lekkers hebben gedacht; vgl. de synonieme uitdr. het hammetje is op bij Sewel, 312; Halma, 203: Het hammetje is op, zij zijn arm en berooid, waar ook aan vermogen gedacht wordt.

1214. Iets voor zoete koek opeten (slikken of opnemen),

d.w.z. iets gewillig verdragen, doen alsof men het onaangename niet bemerkt; iets voor goede munt aannemen, iets goedwillig gelooven. De uitdr. schijnt eerst in de 19de eeuw voor te komen; zie o.a. Harreb. I, 426; Nkr. III, 14 Maart p. 4; Het Volk, 13 Febr. 1914, p. 5 k. 4; Nest, 53; 69; Sjof. 199; Het Volk, 6 April 1914, p. 5 k. 1: En denkt S.S. nu werkelijk, dat de lezers van ‘Het Volk’ alles voor zoete koek opeten? De Arbeid, 6 Dec. 1913, p. 3 k. 3: Zij nemen het voor zoete koek aan (gelooven het). Wel komt in Com. Vet. 70 voor: ‘Souw hy dan moghen van de Meers in de back schijten en laeten het voor koek op eeten’, doch hier treedt de letterlijke bet. nog op den voorgrond.(Aanv.) Zoetekoek, pain d'épice (Halma, 811).(Aanv.) Ndl. Wdb. X, 1055.)

Vroeger zeide men ‘Hy moet dat voor suiker opeeten’. Dat zegt men, als yemand iets moet verkroppen en verzwelgen, 't geen hem bitter en tegen de borst is, zonder dat hy eenig misnoegen of afkeer durft laten blijken’ (Tuinman I, 323). Vgl. hiermede Sart. III, 1, 7: hy neemtet al in 't goet, al voor suycker; Hooft, Brieven, 256 (iets in suiker opetenVgl. nog op Goeree en Overflakkée: Ietewat in suuker opete (zie N. Taalgids XIV, 251).); Pers, 351; 460: iets voor suycker opeten; Hooft, Verl. Soon, 28: voor suiker ineten; zie ook Poirters, Mask. 312; W. Leevend III, 37; Halma 457; V. Janus, 155; Ndl. Wdb. XI, 673; 889 (voor suiker en banket opkauwen; 17de eeuw); enz. Vgl. verder het Zaansche iets niet uiten zoete opkunnen en iets voor ruw hooi opeten, zich eene onaangename bejegening niet stilzwijgend laten welgevallen (Boekenoogen, 1090 en 1265); in het Friesch ik wol alles net for swiete koeke of in swiet sûkerparke (suikerpeertje) op-ite of opnimme; vgl. fr. avaler qqch doux comme du lait.

1215. Gesneden koek,

eig. zoete koek die reeds aan plakjes gesneden isVgl. Boekenoogen, 961: Snijkoek, zoete koek, die aan plakjes gesneden wordt. en die men zoo maar kan gebruiken; vandaar bij overdracht van iets dat kant en klaar is of waar geen moeilijkheden meer aan verbonden zijn; vgl. Dievenp. 16: De rechercheur heeft te zorgen dat het heele zaakje als gesneje koek voor de heeren komt; Het Volk, 21 Oct. 1913, p. 5 k. 1: De lafste zinneloosheden gingen er in als gesneden koek (vgl. no. 1187); Nest, 66: Dat alles moet gesneden koek voor je zijn. In Zuid-Nederland gesne(d)en brood, gemakkelijke, licht uitvoerbare taak (Antw. Idiot. 303).

1234. Iemand een kool stoven (of bakken),

d.w.z. iemand eene poets bakken; eene euphemistische uitdrukking als iemand een muilpeer geven (zie aldaar); zie Rusting, 510 (ook bl. 11: een kool aandraaien); Villiers, 65; Harreb. I, 433; Köster Henke, 35; Nkr. III, 6 Juni p. 6; IV, 25 Dec. p. 3; VIII, 7 Maart p. 6; Het Volk, 18 April 1914, p. 5 k. 2. Vroeger zeide men hiervoor ook iemand een vijg koken; (fr. servir à qqn un plat de figues d'Espagne); in de middeleeuwen en 16de eeuw: enen een water warmen (Rein. II, 2915); enen bier bruwen, mede blanden, scenken (Tijdschr. XII, 240); &U0113;nen ene sausse brouwen; eenen dat voetwater warmen; iemand een brouwet koken; 't cruymken bakken (Roode Roos, 169); 17de eeuw: iemand een worst braden (V. Moerk. 81); iemand een koek bakken (Tuinman II, 32); een papje koken of boteren (V. Dale); fri.: der scilste in aei for drincke (daar zult ge een ei voor zuipen); immen in koekje bakke; enz. Thans wordt in Zuid-Nederland nog gebruikt: iemand een appel stoven, iemand eenen koek (of een taartje) bakken (Joos, 104) naast iemand een koolken stoven. Hij die dit doet wordt hier en daar een koolkakker genoemd (zie Molema, 218 b; Boekenoogen, 491; bij Spaan, 105: koolbakkerij. Vgl. ook het hd. einem ein (schlimmes) Bad anrichten, eine Suppe einbrocken; fr. poser une marmite à qqn. Zie no. 141.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut