Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koe - (rund)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koe zn. ‘vrouwelijk rund’
Onl. kuo ‘koe’ in an cuon folcco ‘tussen de koeien der volkeren’ [10e eeuw; W.Ps.] kuosmero ‘boter’ (lett. koesmeer) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. die hadde ene harde scone kuo ‘die had een heel mooie koe’ [1270-90; VMNW], coe, mv. coen [beide 1285; VMNW], paerde. coie ‘paarden, koeien’ [1290; VMNW], .vii. coyen ‘7 koeien’ [1294-97; VMNW].
Os. (mnd. ko); ohd. kuo (nhd. Kuh); ofri. (nfri. ko); oe. (ne. cow); on. kýr (nzw. ko); < pgm. *kwō-.
Verwant met: Latijn bōs (genitief bovis; Frans boeuf) met dialectale b- i.p.v. v- < pie. *gw-; Grieks boũs; Sanskrit gaús; Lets gùovs; Bulgaars govédo; Oudiers bo; Armeens kov; Tochaars A ko, Tochaars B kau; alle ‘rund (koe, os, stier e.d.)’, < pie. *gweh3u-, *gwh3eu- (IEW 482), vermoedelijk afgeleid van een wortel *gweh3- ‘weiden’, zie → kudde.
Naast de bij -stammen verwachte, en in het Middelnederlands nog voorkomende meervoudsvorm coen, ontstond al vroeg, doordat het niet meer werd herkend als meervoudsvorm, een sterk meervoud coye, coeye, dat op zijn beurt al vroeg in de meeste dialecten en in de standaardtaal vervangen werd door een nieuw meervoud coeyen. De overgangsklank /j/ in deze woorden is ontstaan naar analogie van de vele andere woorden met lange klinker + /j/ + sjwa (Stroop 1996). Zie ook → vlo.
Lit.: J. Stroop (1997), ‘Vlo en vlooien’, in: E. Elffers (red.), Grammaticaal spektakel, Amsterdam, 219-229

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koe1* [rund] {coe 1285} oudsaksisch , oudhoogduits kuo, oudfries , oudengels , oudnoors kȳr; buiten het germ. latijn bos, grieks bous, oudiers , lets guovs, armeens kov, oudindisch gaus. De uitdrukking oude koeien uit de sloot halen [halfvergeten zaken weer oprakelen] betekent oorspr. ‘koeien die verdronken zijn uit de sloot vissen’, vgl. bv. 17e-eeuws Dat zijn oude verdroncken koeyn uit de sloot gehaelt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koe znw. v., mnl. coe, onfrank. 3de nv. mv. cūon, os. , ohd. chuo, ofri , oe. (ne. cow), on. kȳr. — oi. gāus m. ‘os.’, v. ‘koe’, gr. boũs ‘os, koe’, lat. bōs ‘os, koe’, oiers ‘koe’, lett. gùous, arm. kov, toch. A ko, Β keu uit idg. grondvorm *gōu- (IEW 482). Men heeft, wel ten onrechte, gedacht aan een woord ontleend aan het sumerisch gu ‘stier’ (Conrady, Ber. sächs. AW 75. 1925, 15-18).

Men verklaart de germ. ū-vormen uit nom. *gōus en de ō-vormen uit acc. *gōm. Een dialectkaart van koe gaf I. Habermehl in Taalatlas afl. 2, 11 en voor koeien afl. 3, 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koe znw., mnl. coe v. = onfr. * of * (alleen cûon dat. mv.), ohd. chuo (nhd. kuh), os. , ofri. , ags. (eng. cow), on. kŷr v. “koe”. [Wellicht is het vocalisme van den ohd.-ndl.-os. nom. acc. enk. dat van den ouden acc. (= gr. bōn, oi. gâm), de. ofri., ags., on. û en de ui van gron. N.Holl. kui echter de vocaal van den nomin.] = ier. “koe”, lat. bôs “rund” (umbrosamnitisch leenwoord), gr. boús “id.”, slav. gov- (in govędo “rund”, obg. alleen ’t bnw. govęždĭ), lett. gůws “koe”, arm. kov “id.”, oi. gaúḥ (nom.; loc. gávi enz.) “rund”, idg. *g̯̯ou-, *g̯̯ow -, * g̯̯ow -.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koe. Men neemt wel aan, dat het idg. woord voor ‘koe’ ontleend is aan sumerisch gu (ouder gud) ‘stier’. Ipsen IF. 41, 175 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koe v., Mnl. coe, Os. + Ohd. kuo (Mhd. id., Nhd. kuh), Ags. (Eng. cow), Ofri. , On. kýr (Zw. en De. ko) + Skr. gaus, Zend id., Arm. kov, Gr. boũs, Lat. bos (van accus. bovem komt Fr. bœuf), Ier. , Lett. gůws, Osl. govedo.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kooj (zn.) koe; Aajdnederlands kuo <901-1000>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

koei s.nw.
1. Vroulike, tweehoewige herkouende soogdier. 2. (neerhalend) Vrou. 3. Wyfie van ander groot soogdiere, bv. die olifant, renoster, walvis, ens.
Uit Ndl. koei, dial. vorm van Ndl. koe (Mnl. coe), of bet. 3 is 'n leenbetekenis van Eng. cow (1725). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. koe (1910 in bet. 3).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

koe, koeie zn. v.: leren handschoen van straatmakers of metselaars. Genoemd naar het rundsleer, leer van de koe. Vgl. kalf.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

koelke(n) (DB), zn. o.: koetje, vaars. Dim. met dubbel suffix -el-ken van koe (vgl. visselke, wegelke).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

koe (de), (ook:) koeievlees, rundvlees. Hij zit vol beperkingen. Hij eet geen koe. Hij drinkt niet, zelfs niet om er het genot aan te ontdekken waar anderen het over hebben (Vianen 1971: 97). - Syn. rund* (2). Zie ook: geit*, varken*; kip*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

koei: – koe (nog in ss. soos: koevoet en seekoegat naas seekoeigat) - ; Ndl. koe (reeds in Mnl. coeye as ekv. uit mv.), in 17e eeu en daarna, asook in Ndl. dial., koei naas talle wv.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Koei snw. Sprw.: Dis nie die koei wat die hardste bulk wat die meeste melk gee nie, grootpraters doen gewoonlik die minste. – Harreb. I, 424: Koeien die meest brullen, geven de minste melk; Harreb. Het hoen, dat het mest kakelt, geeft de meeste eiers niet. – In feitlik dieselfde vorm bestaan die uitdr. ook in Frans en Duits. Vir De Cock Sprw. Vro. bl. 46. Schuermans 269; Rutten 117.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

koe: 1) lomp of dom mens; vrouw die ergernis wekt. Koeien gelden als dom en koppig. Vgl. Duits: blöde Kuh. Engels: silly cow. Protestantse jongeren werden in het midden van de twintigste eeuw door hun roomse soortgenoten wel eens uitgemaakt voor protestantse koeien. De jeugdige roomsen werden dan weer voor roomse katers uitgescholden.

‘Wat is dàt?’ zeiden Wiesje en ik.
‘De huur, koe’, antwoordde de Major Domus. (Willem W. Waterman, Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen? 1944)
Hij noemt me domme koe. (Ronald Giphart, Phileine zegt sorry, 1996)
Ach, hou toch op met je gezeik, hysterische ouwe koe. (HP/De Tijd, 13/01/2006)

2) (Maastricht, studententaal) dik meisje. Ook wel zwangere koe. Gesignaleerd door Gillissen en Olden.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

koe. Men kon in de 16de en 17de eeuw ook zweren, hetzij in ernst, hetzij bij wijze van scherts, bij de dieren van Gods schepping of de producten die zij voortbrengen. Zo is overgeleverd by gans koeien, waaruit dan vervolgens by gans koeyenkeese ‘bij de kaas van Gods koeien’ is ontstaan. Aldus De Baere (1940: 152). Deze zweerformules werden tot bastaardvloeken en uitroepen van verbazing, ongeloof e.d. → bok, das, gans (1), haas, hond, kat, kieviet, koekoek, konijn, kraai, muis, slak, varken, vink.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koe ‘herkauwer, vrouwelijk rund’ -> Munsee-Delaware kó:wǝy, ko:j ‘herkauwer, vrouwelijk rund’; Loup kui ‘herkauwer, vrouwelijk rund’; Mahican kójak ‘koeien’; Negerhollands koei, kui, kuj ‘herkauwer, vrouwelijk rund’; Berbice-Nederlands kui ‘herkauwer, vrouwelijk rund’; Skepi-Nederlands kui ‘herkauwer, vrouwelijk rund’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koe* herkauwer, vrouwelijk rund 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1208. De koe bij de horens grijpen (pakken of vatten),

d.w.z. eene moeilijke, gevaarlijke onderneming op de juiste manier flink aanpakken; fri. de kou by de hoarnen pakke of it hynsder (paard) by de team (toom) pakke. De spreekwijze is ontleend aan het vangen van eene koe, die wild rondspringt en die men alleen door haar flink bij de horens te grijpen in zijne macht kan krijgen en kan bedwingen. Vgl. D. Doct. II, 2590: God, onse here, gheeft al goet, maer den osse metten hoornen niet; Servilius, 138*: God geeft den os, mer niet metten hoornen (dii bona laboribus vendunt); zoo ook bij Campen, 13: Godt gheeft die Koe, maer niet by den hoornen, dat herinnert aan de fr. zegswijze Dieu donne biens et boeufs, mais ce n'est pas par la corne; Hooft, Ned. Hist. 231: Zy hebben de koe by de hoornen (ze zijn de grootste moeilijkheden te boven). In sommige streken van Zuid-Nederland zegt men het kalf bij den kop vatten: seffens aanvangen met hetgeen men eigenlijk van zin is, seffens naar zijn doel gaan (Schuermans, 216) en de koe bij 't zeel pakken, de zaak juist en goed aanpakken, zooals 't behoort. In vele talen is de uitdr. bekend; zie Wander, IV, 857 en vgl. fr. prendre le taureau par les cornes; hd. den Stier bei den Hörnern fassen; eng to take the bull by the horns. Naar 't schijnt komt ze bij ons eerst in de 19de eeuw voor. Harrebomée, V. Eijk en Weiland vermelden haar niet.

1209. Men kan niet weten hoe eene koe een haas vangt,

d.w.z. men kan niet weten, hoe iets heel onwaarschijnlijks toch gebeurt; hoe een dwaze poging, aan wier slagen men twijfelt, toch gelukt. De oudste plaats, waar deze spreekwijze staat opgeteekend, is Campen, 63: mislick waer een Koe een Haese vangt (zie ook De Bo, 547), dat hetzelfde beteekent als de tegenwoordige spreekwijze, en te vergelijken is met: een blint man scoot een quackele (Prov. Comm. 343) of een blint man schiet somtyts wel een craye (Servilius, 35*; Idinau, 80; Taalgids V, 168). Zie verder Westerbaen I, 411: Oock is 't mee al waer bevonden, dat een haes voor snelle honden afgeloopen vrij en los, is gevangen van een os; Hooft, Schijnh. 407: 't Is doch wel geschiedt dat een koe een haes vingAls bewijs dat het inderdaad wel eens gebeurt, diene het volgende bericht, voorkomende in Het Nieuws van den Dag, 6 Oct. 1898, 2de blad, blz. 6:
Men kan nooit weten hoe een koe nog eens een haas vangt.
In een perceel weiland te Tjerkwerd, bij Workum, is het gebeurd. Daar heeft, naar de Ned. Jager meldt, een koe van den landbouwer S. Ketelaar een haas gevangen. Het dier werd door het rund in het leger verrast, kreeg een fermen tik met een der hoeven en werd vervolgens op de horens genomen. Toen bemerkte de knecht des landbouwers de vreemde jacht en haastte zich het haasje prijs te verklaren.
; Focquenbr. Eneas, 83, vs. 8: Zoo vingh de koe een haas; bij Coster, 26, vs. 509 lezen we: Mogelijck of hy een Koe voor een Haes vangt, dat voor eene verbastering moet worden gehouden. In Zuid-Nederland zegt men thans nog: wie weet hoe een koe een haas vangt, syn. van wie weet hoe een advocaat in den hemel komt, voor dat kan misschien gebeuren (zie Joos, 181; 82); Tuerlinckx, 332: een koe kan wel een haas vangen, d.i. een blinde hen vindt soms een korrel; in Limb. men weet niet hoe een peerd nen haas kan vangen ('t Daghet X, 183); Antw. Idiot. 523: Ge kunt niet weten hoedat 'en koei 'nen haas vangt; Waasch Idiot. 200 a: Ge kunt niet weten hoe een boer 'nen haas vangt, al ware 't op 'nen eegtand; vgl. Harreb. III, 211 en het Friesch: de bline (de blinde) het in hazze fongen; bitelje as de kou in hazze fangt (nooit betalen) en in kou kin wol in hazze fange (as hja der mar op wâddet (trapt) of, zooals ook in het stadsfri. gehoord wordt: in een nauw straatsje). Ook in het Provençaalsch der 12de eeuw komt reeds voor: Ik ben de man, die den wind verzamelt en die met de koe een haas vangt; in 't Grieksch is ook bekend: hij jaagt hazen met een os of jaagt op hazen met een koeZie Dr. H.C. Hesseling in Gids, 1902, 4de stuk, bl. 102.; het eng. a cow may catch a hare; fr. une vache prend bien un lièvre (verouderd; vgl. Le Roux de Lincy I, 204).

1210. Men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan,

d.w.z. voor een algemeen (slecht) gerucht omtrent iemand bestaat altijd wel eenige grond; immers er is geen rook zonder vuurFr. il n'y a point de fumée sans feu; hd. wo Rauch ist, da ist auch Feuer; eng. there is no smoke without some fire. of er luidt nooit een klok of er is een klippel (Waasch Idiot. 359). In de eerste spreekwoordenverzamelingen luidt deze spreekwijze: men heet gheen koe colle si en heeft wat wits voer haren bolle (Prov. Comm. 500); in de Prov. Comm. 449: men en heet gheen koe blare si en heeft een wit hooft; bij Campen, 7: men heet ghien koe blare, off sie hebbe al wat bonts; 52: men hietet selden een Koe blare, sie hebbe dan eenen bonten vlecke, dat aldaar gelijk gesteld wordt aan een ghemeen gheruchte is selden gheloeghen, dat ook voorkomt bij Servilius, 231* en Sart. I, 6, 88: dat alleman seydt is geern waer, ter vertaling van non omnino temere est, quod vulgo dictitant, dat gelijk staat met Sart. IV, 40: rumor publicus non omnino temere est: men schelt geen koe blaer, of hy heeft wat wits. Hieruit blijkt dat deze zegswijze geene verbastering is van eene andere, die ook bij Campen, 7 voorkomt en luidt: men hiet wel een Koe blare, die nochtans niets wits en heft, men geeft wel eens iemand een naam, dien hij niet verdient. Zie Archief II, 246-249; Mnl. Wdb. I, 1282; Tijdschr. XX, 20; Harreb. III, 398; Schuermans, 269 en voor het Nederduitsch Taalgids V, 153; Eckart, 296; Dirksen I, 51. In het Friesch luidt de spreekw.: der wirdt gjin kou bont neamd of der is in wyt hier (een wit haartje) oan; hd. es heisst keine Kuh Blümlein, sie habe denn ein Blässlein (Wander II, 1672; 1676).

1211. Oude koeien uit de sloot halen,

d.w.z. oude reeds lang vergeten zaken, twisten, grieven weer oprakelen. Bij Servilius, 207 luidt deze spreekwijze laet gheen oude koyen wter grachten trecken in de bet. van ne malorum memineris; bij Sewel, 403: De verdronke koe uit de sloot haalen (de slaapende hond wakker maaken), to revive or renew a quarrel; Halma, 275. De bedoeling zal geweest zijn, koeien die al lang verdronken zijn, weer uit de gracht ophalen, hetgeen we meenen te mogen opmaken uit Gew. Weeuw, II, 24: Zy haalen koejen uit de sloot, die dertig jaar verdronken zijn geweest; Pamfl. Muller no. 3338, samenspr. c. 45: Dat zijn oude verdroncken koeyen uit de sloot gehaelt; Pers, 186 b: En alsoo hier door de oude koeyen van 't jaer 49 en 50 wierden uyt de sloot gehaelt. Zie ook nog W. Leevend I, 262; Abr. Bl. 210; V. Janus, 369; III, 36: Oude koeien stil laten liggen; Schoolm. 123. In Zuid-Nederland is deze spreekwijze algemeen in gebruik; Teirl. II, 159: oude koeien uit de gracht halen naast ge moet geen ouwe peerden uit de gracht halen (Antw. Idiot. 1962); zie Joos, 108; 147; Schuermans, 269; Waasch Idiot. 359; Villiers, 65; Volkskunde IX, 204, evenals in het Friesch: hy hellet âlde ky út 'e sleat, waarnaast ook bekend is gjin âlde kestanjes út it fjûr helje, geen oude grieven opperen. Zie verder Harreb. III, 263.

1220. Over koetjes en kalfjes praten,

d.w.z. over onverschillige, onbeduidende zaken praten. Zie Van Effen's Spect. IX, 11: Nadat we so wat van koetjen en kalfjen epraet hadden; bl. 237: Eens mee praaten van het mooi weer, van het courant nieuws, en gelyk men zegt, van 't koeitje, en 't kalfje; Harrebomée, I, 356; Van Eijk, II, 56; Falkl. IV, 115; Schoolm. 18; 't Daghet XII, 190. De uitdr. zal eerst gezegd zijn van boeren, die over hun vee praten (vgl. mnl. spreken van Bouwijns heynst; zie Mloop. II, 796), over alledaagsche dingen, en later in ruimere toepassing in gebruik zijn gekomen. Vgl. Gew. Weeuw. III, 66: Van koeyen en kersseboomen praaten; het gron. over land en zand proaten, d.i. bebouwd en onbebouwd land (Molema, 236 b); Villiers, 65; in Amsterdam: kletse, prate van ouwe Jan en van jonge Jan; fri. prate oer haven en staven; in Zuid-Nederland: van land en zand kouten; van kraaien en duiven spreken (Volkskunde, XIV, 145; Waasch Idiot. 193 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal