Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kobold - (boze kabouter, kwelgeest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kobold zn. ‘boze kabouter, kwelgeest’
Nnl. Kobald ‘boze kabouter, kwelgeest’ [1809; Wdb. ND], Kobald, kobold, zoo noemen de IJslanders hunnen afgod of duivel, dien zij aanbidden, en die hun ook menigmaal in eene menschelijke gedaante verschijnt [1824; Weiland], kobold ‘nijdige berggeest, bergmannetje, plaaggeest’ [1847; Kramers].
Ontleend aan Duits Kobold ‘hoogmoedige, goed- of kwaadaardige huisgeest’, oudste datering als kobolt [ca. 1272; Gärtner]. Zie ook → kobalt.
Etymologie onzeker. Wrsch. is het een oude Germaanse samenstelling, vergelijkbaar met oe. cof-godas ‘huisgoden’. Het eerste lid kan dan pgm. *kuba- ‘huis’ zijn (zie ook → kop 1), waarbij horen: oostelijk mnl. cove ‘hut, huisje’; mnd. kove; mhd. kobe ‘stal, schuur’ (nhd. Koben ‘schuurtje, hok’); nfri. -kou in bientsjekou ‘knekelhuis’; oe. cofa ‘kamertje, kleine ruimte’ (ne. cove, door het nnl. ontleend als koof ‘overgang tussen wand en zoldering’); on. kofi ‘vertrek’ (nzw. kåve vero. ‘hok, krot’). Voor het tweede lid bestaan meerdere mogelijkheden. Het kan pgm. *walda- ‘heerser’ zijn, bij mhd. walten ‘heersen’, met dezelfde wortel als in → geweld. Maar wrsch. is het hetzelfde woord als mhd. holde ‘vriend, trouwe dienaar’, dat ook voorkomt in de vaste verbinding die guoten holden ‘de huisgeesten’ en de afleiding unholde ‘vijand, duivel’ (nhd. Unhold ‘boze geest’). Voor de bijbehorende wortel pgm. *hulþ- ‘trouw’, zie → hou.
In het Nederlands heeft deze Germaanse samenstelling tot → kabouter geleid, maar of dat een erfwoord is, is onzeker: men zou voor intervocalische pgm. *-b- namelijk mnl. -v- verwachten. Misschien is het tweede lid daarom pgm. *balþa- ‘stoutmoedig’, zie → boud. Ook zou kabouter door ontlening aan het Middelhoogduits kunnen zijn ontstaan; de vroege attestatie van de vorm mnl. cobbout ‘kwade geest’ [13e eeuw] lijkt dat echter tegen te spreken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kobold [aardmannetje] {1926-1950} < hoogduits Kobold (vgl. kabouter).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kobold znw. Uit hd. kobold. Zie kabouter.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kobold m., uit Hgd. id. (Mhd. kobolt); z. kabouter.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kobold (Duits Kobold)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kobold, uit ’t Hgd., voor kob-old, waarin kob = huis en old van waldan = besturen, beschermen; vgl. ’t Angelsaks. cof-godu = huisgod. (Zie Kabouterman.)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kobold aardmannetje 1932 [WNT aardmannetje] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut