Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knurft - (stommeling)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knurft* [stommeling] {na 1950} variant van knurf [knobbel, kraakbeen, bonk].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

knurft, zn.: iemand die bij zijn standpunt blijft; hand. Met paragogische t naast Hollands knurf ’knobbel, log iemand’. Ndl. knorf ‘knobbel’. Het is het grondwoord van Rijnlands knorvel ‘kraakbeen, uitwas’, D. Knorpel ‘kraakbeen’, dial. ook Knorfel, Knürfel. Zie ook knoers. Idg. *gen- ‘samendrukken’, zoals in knoest, knijpen, knoop, knot.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

knùrft (harde -) wie bij zijn eigen standpunt blijft (Heeswijk). = Metaforisch gebruikt holl. knurf ‘knobbel, log iemand’. Met oergerm. 0 en later nog met paragogische t uitgebreid mnl. cnorre ‘knobbel’ en mhgd. knorre ‘knoest’. Grondwoord van rijnl. knorvel ‘kraakbeen, uitwas’. Van een basis gen ‘samenballen’, die ook in knoest, knijpen, iers gnobh ‘knoest’ en litouws gnýbiu ‘ik knijp’ aanwezig is.
Swanenberg (red.). Onder ons gezegd 120, WNT VII 4836-4837, NEW 338, IEW 370-373, Pannekeet 1984, 177, Rh Wb IV, 1004.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

knurft: (jeugdtaal, verouderd) ruw, lomp persoon; hufter*. Jaren zestig. Betekent eigenlijk ‘stuk been; kluif’. Stoett geeft knurf als synoniem voor ‘mep’ (zie art. 1502). Volgens Endt (1974) is knurf een scheldwoord voor een provinciaal. In Leiden komt knurf ook voor als een koosnaampje voor een ‘mollig, klein kind’. Zie ook boerenknurft*.

… toen daar opeens die knurft van een Evert de boel in ’t honderd schopte. (Vis, Gerucht, 1947)
Gelukkig maar dat niet veel mensen denken zoals knurfts, anders was Nurckx ook al lang omgekomen, ‘hetzij door ondervoeding, hetzij een gewelddadige dood’. (Hitweek, 25/10/1968)
Stelletje onnozele knurften. (Armand, Wat muziek, 1978)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knurft* stommeling 1947 [Aanv WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal