Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knuppel - (korte, dikke stok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knuppel zn. ‘korte, dikke stok’
Vnnl. knuppel [1607; WNT].
Ontstaan door dissimilatie van het veel eerder geattesteerde synoniem mnl. cluppel, cloppel, zie → klepel (FvW). Kluppel is nog zeer gangbaar in een aantal Zuid-Nederlandse dialecten, vooral in de betekenis ‘sufferd, idioot’. Bij de nevenvormen mnl. clippel [1303; MNW] en cleppel [1324; MNW] ontstonden op dezelfde manier kneppel [1470-90; MNW-R] en knippel [1481; MNW smiten], alle ‘knuppel’. Al deze woorden gaan uiteindelijk terug op → kloppen.
Minder wrsch. is de aanname van NEW, volgens welke knuppel een afleiding is van → knop met een verkleiningsachtervoegsel als in → druppel: hiermee worden de genoemde oude nevenvormen niet verklaard en bovendien was dit verkleiningsachtervoegsel in de 17e eeuw niet meer productief. De vele nevenvormen van knuppel worden ook genegeerd door Boutkan (1998: 116-117), die verwantschap met knevel ‘houten stokje’ < Proto-Germaans *knabil- (zie → knevelen) aanneemt en de ongewone ablaut *-a/u- toeschrijft aan herkomst uit een Noordwest-Germaanse substraattaal.
Mnd. knüppel; mhd. knüppel, knüpfel, ofri. kneppel (nfri. kneppel). Door ontlening bovendien: nde. knippel ‘knuppel’, kniple ‘kantklossen’, nzw. knyppla ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kleppel* [knuppel] {cleppel, clippel 1303} nevenvorm van kluppel.

klippel* [knuppel] {1573} nevenvorm van kleppel.

kluppel* [knuppel] {cloppel, cluppel [werktuig om te kloppen, knuppel] 1470} van kloppen.

knippel* [dikke stok] {1723} nevenvorm van knuppel.

knuppel* [dikke stok] {1654} uit ouder cneppel {1480} gedissimileerd uit cluppel, cleppel {ca. 1340}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kluppel znw. m., mnl. cluppel, cloppel m. ‘knuppel’, mnd. kluppel ‘knuppel’, mhd. klüpfel, klopfel ‘klepel, knuppel’. — Zie: kloppen.

knuppel, kneppel znw. m., vgl. mnd. knuppel, nhd. knüppel, een afl. van knop, dus eigenlijk ‘stok met ‘knoesten’. Daarnaast staat knuttel ‘met de hand samengedraaid kabelgaren’, Kiliaen knuttel (Ger. Sax. Sicamb.) ‘gezwel; knots’, ohd. chnutil ‘stok met knoesten’, woorden die bij knot behoren. Het is niet nodig aan te nemen, dat knuppel uit kluppel zou zijn gedissimileerd, wel geven de woorden kluppel, knuppel, knuttel een beeld van het affectieve karakter dezer groep.

Voor de ontronde vormen zie V. Verstegen, Hand. Comm. Top. Dial. 17, 1942, 301: in Vlaanderen, Brabant en delen van Antwerpen en Zeeland met kaart).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kluppel znw. (gewoner is knuppel), mnl. cluppel, cloppel m. “knuppel”. = mhd. klüpfel, klopfel m. “klepel, knuppel” (nhd. klöpfel), mnd. kluppel m. “knuppel”. Van kloppen.

knuppel znw., nog niet bij Kil., die echter wel fri. kneppel “knuppel” vermeldt, dat òf met knuppel identisch is (dial. e evenals breg “brug”) òf uit kleppel (van kleppen) ontstaan is. Knuppel is uit kluppel gedissimileerd, evenzoo hd. knüppel (sedert de 15. eeuw), mnd. knuppel m. “knuppel”. Daarbij kan invloed gehad hebben Kil. “knuttel. Ger. Sax. Sicamb. Tuber, tuberculum, panus: et Fustis” (nog knuttel als zeemansterm: “met de hand samengedraaid kabelgaren”) = ohd. chnuttil (chnutil) m. “knobbel, knuppel” (nhd. knüttel), dat met knot (zie bij knop) verwant is; vgl. knots. Fri. knettel beteekent “knot touw”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knuppel. Men moet, vooral voor de woorden uit du. taalgebied, ermee rekening houden dat een afl. van knop met de kl-woorden dooreengelopen kan zijn = mhd. knüpfel m. ‘knuppel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kluppel m., Mnl. cluppel, van kloppen.

knuppel m., door dissimil. uit kluppel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

klöppel (zn.) knuppel; Middelnederlands cluppel <1350> < Duits Klöppel.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Knuppel snw., kortswingel. – Ter Laan 436: “Knuppel, de trekstok bij wipkar, wagen of ploeg.”

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

knuppel: lomperd; pummel. Volgens Van Dale schooltaal. Onder soldaten in het voormalige Ned.-Indië werd een reserveofficier vaak spottend reserveknuppel (of reservezwengel) genoemd. Knuppelveen is een fictieve benaming, een plaats waar alleen pummels wonen.

Maar ik ben toch niet zo een knuppel dat ik ga werken voor een luie hospes en bij jou mijn zuur verdiende geld ga verspelen. (H. van Aalst, Onder martieners en bietsers, 1946)
Alleen de commandant en een paar knuppels met hoogst ondemocatische tronies, die kennelijk de etat-major vormden, leken iets meer op hun gemak te zijn. (Leonhard Huizinga, Prins Adriaan en Prins Olivier, 1969)
Fiets jij even naar die knuppel toe en sluit dat ding effe voor hem aan. (Hans Koekoek, Liefzijn toegestaan, 1982)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

knuppel ‘lomperd’ (Duits Knüppel?)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Knuppel, voor kluppel: werktuig om te kloppen = slaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knuppel ‘jongen, knul, pummel, lomperd’ -> Fries knuppel ‘jongen, knul, pummel, lomperd’; Zweeds knyffel ‘bedrieger, grappenmaker, prachtkerel’ (uit Nederlands of Nederduits).

knuppel, knippel ‘dikke stok’ -> Deens knippel ‘dikke stok’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors knippel ‘dikke stok’; Russisch knípel ‘stok’; Indonesisch kenop, kenup ‘dikke rubberen stok’; Javaans kenup ‘dikke stok’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knuppel* dikke stok 1654 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut