Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knopkruid - (Galinsoga parviflora)

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

knopkruid
Kaal knopkruid | Galinsoga parviflora Cav.
Harig knopkruid | Galinsoga quadriradiata Ruiz et Pav.

Het bloemgestel, een bloemhoofdje, van deze plant van de familie van de Samengesteldbloemigen (Asteraceae, Composieten) heeft de vorm van een knopje, vandaar de naam. Naast het Kaal Knopkruid is er ook nog het Harig knopkruid, waarvan de stengel bovenaan dicht afstaand wit behaard is, terwijl bij het Kaal knopkruid de stengel kaal of bovenaan zeer kort behaard is.

De plant is afkomstig uit Peru en kwam rond 1790 eerst terecht in de plantentuin van Parijs en in die van Madrid, en rond 1800 in de plantentuin van Berlijn. Vanaf begin de jaren 1800 is Knopkruid uit de plantentuin van Berlijn ontsnapt en tegen 1910 was de plant in heel Duitsland te vinden. Van daaruit kwam de plant ook in ons land terecht.

In het Duits heet de plant Kleinblütiges Franzosenkraut. Reeds in 1830 kreeg de plant in een Duits kruidenboek die naam. Soms wordt gedacht dat de plant in Duitsland verspreid werd met de voedselaanvoer uit Frankrijk bestemd voor de Franse troepen bij de veldtochten van Napoleon in het begin van de jaren 1800, maar dat kan niet geval geweest zijn omdat in die tijd de plant in Frankrijk niet voorkwam. Veeleer kreeg de plant die naam omdat ze in Duitsland verspreid raakte gelijktijdig met de periode dat de Franse troepen daar oorlog voerden. Maar het is ook mogelijk dat de plant als een lastig “onkruid” en als een indringer vanuit een buurland beschouwd werd en dan ook de naam van dit land kreeg.

In de Vlaamse provincie Oost-Vlaanderen wordt het Knopkruid ook soms Duits-kruid genoemd, omdat de plant tijdens de Eerste of de Tweede Wereldoorlog hier door de Duitsers ingevoerd zou zijn.

In de eerste, tweede en ook in de negende druk van de Manuel de la Flore de Belgique van de goed geïnformeerde plantkundige François Crépin, respectievelijk verschenen in 1860, 1866 en 1883 wordt Knopkruid nog niet vermeld. Het oudste exemplaar in het herbarium van de Nationale Plantentuin van België dateert van 1885. Wellicht veroverde de plant pas later geleidelijk heel het Vlaamse en later ook het Waalse landsgedeelte en de twee soorten Knopkruid zijn nu zeker in Vlaanderen zeer algemeen voorkomende planten.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Galinsóga | Galinsóga parviflóra: Knopkruid
Het geslacht Galinsóga is genoemd naar M. M. de Galinsóga (1766-1797), arts en botanicus; hij was tevens intendant van de koninklijke tuin te Madrid. Ruiz en Pavon waren de naamgevers van dit plantegeslacht en namen het geslacht op
in hun ‘Florae Peruvianae Prodomus’ (1794). Oudemans voegt hieraan toe dat Zuccarini in 1821 voor het eerst de naam Galinsogaea gebruikte, omdat het gewoonte was de namen van planten die aan een persoon werden opgedragen van een bijzondere uitgang te voorzien. Latere auteurs schreven Galinsogea, maar beide wijzigingen werden later teniet gedaan, omdat deze namen in strijd waren met de geldende voorschriften op het gebied van de botanische nomenclatuur.
De naam Knopkruid kreeg het kleine, allerminst opvallende plantje omdat het een knopvormig geel bloemhartje, ter grootte van een erwt bezit. De witte lintbloempjes, die hieromheen gerangschikt staan, zijn slechts vijf in getal, vaak minder. De Latijnse soortnaam parviflora duidt eveneens op het kleine bloemhoofdje, want parviflora beduidt met kleine bloemen. Met dit lastige onkruid is weer een nieuwe soort aan onze flora toegevoegd, want het is geen oorspronkelijk inheemse plant. Dit composietje van Amerikaanse oorsprong heeft, evenals vele andere Amerikaanse planten, een explosieve verspreiding in Europa gehad. Het Knopkruid is waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw (een nauwkeurige datering is niet mogelijk bij gebrek aan juiste gegevens) in ons land terechtgekomen. Dr. W. F. R. Suringar schrijft in zijn Zakflora van 1895: ‘Sedert 1864 wild in ons land op akkers.’ In 1910 schrijft H. Heukels in de Flora van Nederland als volgt: ‘Bij ons is zij op verschillende plaatsen om Vollenhove en Harderwijk gevonden, verder bij Vorden, Wageningen en bij Amsterdam.’ Enige tientallen jaren later is het een der meest algemene onkruiden, niet alleen op akkers maar ook in tuinen.
In Amsterdam en andere grote steden is het zelfs tussen de straatstenen te vinden. Men neemt aan dat de zaadjes met pootaardappelen in ons land zijn binnengedrongen vanuit Duitsland. Het is allerminst verwonderlijk dat deze jonge spruit aan onze flora geen volksnamen bezit. In het kort is de verspreiding van deze, uit het hooggebergte van Peru afkomstige, ‘gast’ in Europa als volgt: Voor het eerst werd het plantje gesignaleerd in de botanische tuin te Parijs in 1794. Van hieruit begon de opmars over het continentale Europa. De verspreiding in Engeland heeft zich voltrokken vanuit de bekende botanische tuin Kew, in 1796, het jaar waarin Galinsóga daar ingevoerd werd.
In Duitsland treffen we in 1807 het plantje aan in Bremen, eveneens in de botanische tuin. Aangezien dit jaar overeenkomt met de inval van de Fransen in Duitsland, spreekt men in Pommeren van Franzosenunkraut. Het kan ook zijn dat het duidt op het eerste voorkomen in Europa, namelijk in Parijs. In Duitsland ging men, om verder opdringen te beletten, verordeningen opstellen. Dat het een moeilijk te bestrijden onkruid is, kunnen we opmaken uit de snelle wasdom. Rijp zaad kan, nadat het op de aarde is gevallen en ontsproten, na een maand weer bloeien en als de weersomstandigheden niet ongunstig zijn kan dit zich twee à drie keer herhalen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal