Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knoet - (lomperd, Westfaling)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knoet1* [lomperd, Westfaling] {1599} waarschijnlijk van middelnederlands cnote, cnotte [knoest, klomp, dot]; voor de betekenisovergang zijn te vergelijken woorden als knuppel en bal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knoet 2 znw. m. ‘pummel (mof)’. Indien het woord van nd. herkomst is, kan men vergelijken mnd. knutte ‘knol’. Dan betekent het woord dus ‘lomperd’; een gelijke bet. overgang in nhd. knocke, genoemd onder knok en verder knul.

G. C. Kloeke Ts. 46, 1927, 256 wil het woord afleiden uit kornuit, aannemend dat in het holl. toen de uu nog als oe uitgesproken werd (zoals in poes, boer, loer), tenzij men aan ontl. uit het nhd. mag denken (mhd. kornut, karnut). Voor de wegval der eerste lettergr. zie Knelis < Cornelis. Van Haeringen Suppl. 89 acht dit minder waarschijnlijk, daar het begrip ‘genoot’ moeilijk het uitgangspunt van ‘lomperd’ kan zijn; men zou echter kunnen wijzen op de bet. ontw. van vent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knoet II “pummel (mof)”, in de 17. eeuw zeer gebruikelijk. = knoet I? NB. knute “zweep” komt in 1620 al voor in ’t Du., bij Weller, Lieder des 30 jähr. Kriegs. Of = mnd., nnd. dial. knutte “knoop”? Zie knop. De bet. “pummel, vlegel” kan van zeer veel grondbett. zijn uitgegaan: vgl. bengel, knol, knul, vlegel, strop, vlerk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knoet II (pummel). Misschien een oostelijke vorm van kornuit?
Voor de kn- vgl. knier. Kloeke Tschr. 46, 256.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knoet 1 m. (lomperd), verwant met knot; de meeste woorden die klomp of bal bet., duiden overdrachtelijk een lomp wezen aan.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

knoet: (verouderd) bewoner van Westfalen en meer algemeen: Duitser. Vgl. mof*. Tegenwoordig nog in de zin van ‘lomperd’.

En Velderman teekent hierbij aan, hoe de naam ‘Moffen’ kenmerkend is voor den echten Amsterdammer in zijn afkeer van de praalhanserij der ‘poepen’ of knoeten’, die op een stroowisch waren komen aandrijven, zich in den beginne kruipend onderdanig aanstelden, maar later, als zij tot eenigen welstand waren geraakt, ieder, die onder hen stond, met onuitstaanbaren trots behandelden. (De Groene Amsterdammer, 21/10/1916)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal