Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knoest - (harde uitwas aan een boom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knoest zn. ‘harde uitwas aan een boom’
Mnl. bomen ... welke stamme sijn recht sonder knoesten ‘bomen waarvan de stammen recht en zonder knoesten zijn’ [ca. 1500; MNW].
Volgens Schönfeld, par. 71, is knoest een relict van een dialect waarin Proto-Germaans *-ū- niet (via ü) is gediftongeerd tot -ui- en is het dus hetzelfde woord als → knuist. Beide woorden hebben inderdaad dezelfde grondbetekenis ‘hard rond uitsteeksel’. Gezien de betekenis lijken mnl. cnoesel (nog in BN knoesel) ‘enkel’ en ghecnoes ‘kraakbeen’ [beide 1351; MNW-P] echter met knoest verwant en is de klinker -oe- < Proto-Germaans *-ō- oorspronkelijk. Mogelijk zijn beide veronderstellingen juist; in knoest zijn in dat geval twee woorden samengevallen (WNT).
Met pgm. *-ō- verder alleen mnd. knōster ‘kraakbeen’. Daarnaast pgm. *knūsta-, waaruit: mnd. knūst, nde. knust ‘knoest’, nno. knust ‘knoop’; en ablautend pgm. *knast-, waaruit nzw./nde./nno. knast ‘knoest’. Zie ook → knot.
Lit.: Boutkan 1999, 19

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knoest* [uitwas aan boom] {cnoest, cnust [knoest, knot] 1301-1350} vgl. middelnederlands cnoes [kraakbeen] {1401-1500} en middelnederduits knoster [kraakbeen]; hoort bij knuist en kneuzen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knoest znw. m., laat-mnl. cnoest, cnust m. ‘knoest, kwast; uitwas aan een boom’, vgl. daarnaast cnoes ‘kraakbeen’ en mnd. knōster ‘kraakbeen’. Abl. noorw. knast m. ‘knoest’ maar ook nzw. knyst ‘knobbel op het been’. — Indien men uitgaat van germ. *knūsta (en dus de oe als relict beschouwt) is onmiddellijk knuist te vergelijken. Maar het woord kan jonger gevormd zijn met de vaak voorkomende wisseling van klinkers in woorden, die tot de idg. wt. *gen ‘samenballen’ behoren.

noest 1 znw. m. ‘kwast, knoest in hout’ zie: oest en dan met prothetische n, maar ook: knoest en dan met germ. wisseling van hn en kn zoals on. hnappr naast knappr (zie daarvoor: nap), hnefi naast knefi, nnl. nijpen naast knijpen.

oest znw. m. ‘knoest, kwast in hout’, mnd. oe. ōst m. ‘knoest’, abl. naast mnl. ast m. ‘tak, dwarsbalk van het kruis’, os. ohd. ast, got. asts m. ‘tak’. — Germ. *asta < idg. *ozdo-, vgl. arm. ost ‘twijg, tak’, gr. ózos ‘tak’ (IEW 785).

Daarnaast staat nnl. mnl. noest, dat men als praefigering met n van oest kan opvatten (dus zoals naarstig), maar dat even goed een nevenvorm van knoest kan zijn; zie verder onder noest 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knoest znw., laat-mnl. cnoest m. Vgl. mnl. cnoesel m. (nog dial., bijv. Antw.) “enkel”, cnoes “kraakbeen”, mnd. knôster “id.”. Met ablaut noorw. knast m. “knoest”. Voor een dgl. vrddhi-vorm als knoest zie bij bast. Germ. knas-, knôs- is moeilijk te scheiden van knu- en zijn verlengingen (zie kneuzen, knuist), maar de oorspronkelijke verhouding is niet klaar. In ndl. knoest kan het oude *knôsta- met een dial. knoest = knuist zijn samengevallen.

oest, noest znw. Teuth. oyst, mnl. noest m. Voor de n vgl. naarstig. De n ook buiten ’t Ndl.: saterlandsch ust “plek waar een tak gezeten heeft”; vgl. hd. dial. nast = ast. Oest = mnd., ags. ôst m. “knoest”. Ablautend met mnl. ast m. (zeldzaam) “tak, dwarsbalk van het kruis”, ohd. (nhd.), os. ast, got. asts m. “tak”. De vrddhi-formatie met ô beteekende wsch. oorspr. “bij een tak behoorend”: voor de vrddhi vgl. hoen : haan. Germ. *asta- < idg. *ozdo-, waaruit ook gr. ózos, arm. ost “tak, twijg”. Hiernaast *ozg(u)o- in oi. ádga- “rietstok”, volgens sommigen ook in ier. odb “knoest”; ook gr. óskhos “spruit” kan als idg. *oz-gho- (ĝh?) hierbij hooren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knoest m., Mnl. cnoest + Ndd. knost, dial. Eng. knoost, waarnevens Ndd. knoster en met abl. No. knast: bij kneuzen en knuist.

noest 1 m. (kwast), met proklit. n uit oest 3: z.d.w.

oest 3 m. (knoest), + Ndd. ost, Ags. óst: ablaut van Os. ast, Hgd. ast, Go. asts + Arm. ost, Gr. ózos = tak, knoest.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

knoest: ruwe, onhandelbare kerel; lomperd. In die betekenis reeds bij Boekenoogen. Volgens Van Dale gewestelijk. Volendam-speler Dick Tol (1934-1973), die een kort en dik mannetje was, werd destijds met deze bijnaam vereerd. Ook wielrenner Wim Van Est ging met o.a. deze bijnaam door het leven. In de jeugdtaal van eind vorige eeuw betekent het ook ‘dommerik’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Noest (knoest) staat voor oest (met voorgevoegde n), waarin oest (van ’t Voorgerm. ozdos) bet.: tak, knobbel aan een boom.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knoest ‘uitwas aan boom’ -> Schots † knoost ‘grote brok, homp (bijv. van kaas)’; Zweeds knast ‘uitwas aan boom’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments kònòshi ‘uitwas aan boom; snoezig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knoest* uitwas aan boom 1301-1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut