Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knobbel - (dikke verharding op een oppervlak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knobbel zn. ‘dikke verharding op een oppervlak’
Vnnl. cnobbel ‘knobbel op de huid’ [1546; Claes 1994b], knobbel ‘knoest, kwast, verdikking in steel of tak’ in den knobbel oft knoop aen de stroohalmen oft stelen der cruyden [1573; Thes.], ‘eeltbult’ in exter-oogen lijckdorenen, ende diergelijcke cnobbelen [1595; WNT].
Afleiding van vnnl. knob(be) ‘knobbel’, zoals in wat dicker ende knobachtigher [1596; WNT knob II], dat in het vnnl. reeds zeldzaam en nu verouderd is.
Mnd. knobbe ‘knobbel’ (nnd. knubbe, door ontlening nhd. Knubbe); me. knobbe ‘id.’ (ne. knob ‘knop’); nzw. knubb ‘dik stuk hout; kerel’. Zie verder → knot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knobbel* [bult] {cnobbel [homp] 1526; de huidige betekenis 1546} verkleiningsvorm van knob [uitwas], vgl. iers gnobh [knoest]. Een knobbel hebben voor bv. wiskunde is in de wereld gebracht door Franz Joseph Gall (1758-1828), Duits arts. Hij bestudeerde schedels en meende aan de hand van knobbels iemands aanleg te kunnen onderscheiden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knobbel znw. m., Kiliaen knobbel ‘knobbel, bult’, verkleinw. van vla. knobbe ‘homp’, mnd. knobbe ‘knoest, knobbel’, ne. knob ‘knobbel, knoest, knop’, vgl. ook mnl. cnōvel m. ‘gewricht, enkel’, mnd. knōvel m. ‘knokkel’, mhd. knübel ‘knokkel’. — Daarnaast abl. oostfri. knŭfe ‘homp, klomp, brok’, on. knȳfill m. ‘stompe hoorn’, nnoorw. dial. knuv ‘massa met ronde top’, nzw. dial. knuv ‘bergtop’. — iers gnobh ‘knoest’; idg. wt. *gneubh (IEW 371), afl. van *gen ‘samendrukken’, waarvoor zie: knaap; met consonantverscherping: knop. — Uit vla. knobbe > ne. knob (sedert 1386, vgl. Bense 167-8).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knobbel znw. Kil. knobbel “knobbel, bult”.Vgl. mnd. knobbe “knoest, knobbel”, eng. knob “knobbel, knoest, knop”, benevens mnl. cnōvel m. “gewricht, enkel” (Mnl. Handwdb.), mhd. knübel, mnd. knōvel m. “knokkel”. Met ablaut oostfri. knū̆fe “homp, klomp, blok”, on. knŷfill m. “korte hoorn”, noorw. dial. knûv m. “ronde top”. Vgl. kneuzen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knobbel m., dimin. van knob.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

knoebel, zn.: kleine gedrongen persoon. Overdr. bet. van knobbel ‘knoop’, vgl. knodder < knod.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

knobbel (D, I, K, P, R), zn. m.: knoop (in touw of draad). Daarnaast ook de Ndl. bet. ‘knobbel, gezwel, uitwas’. Ook D. Knoten betekent zowel ‘verdikking, gezwel’ als ‘knoop (in touw)’. Vroegnnl. knobbel ‘tuber, nodus, gibbus’ (Kiliaan). Dim. van knob(be), Mnd. knobbe ‘knoest, knobbel’, Ndd. Knubb, Knupp, Knobben ‘knoest, knobbel, gezwel, buil, knoop’, Fri. knobbe, E. knob ‘knop, knobbel’. Knobbel is een intensiefvorm (bb) naast Mnl. cnovel ‘gewricht, enkel’, Ohd. knovel, Mhd. knübel, Md. knubel, Mnd. knôvel ‘knokkel’, Ndd. knövel ‘knokkel’. Verwant met knoop. Afl. knobbelen ‘knopen’. Overdr. bet. ‘klein mannetje’, vgl. Ndd. Knövel ‘kleine kerel’. Vandaar ook samenst. knobbelkof, knobbelkonte (K) ‘kleine dwerg, resp. kleine dikke vrouw’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Knobbel, verkleinw. van knob = knoest, verwant met knop en knoop.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knobbel* bult 1546 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal