Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knip - (grendeltje, portemonnee)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knip zn. ‘grendeltje, portemonnee’
Mnl. cnippe ‘val voor dieren, valstrik’ in daer coomt hi in die knip, daer hi niet wt en mach ‘daar komt hij in de val, waar hij niet meer uit kan’ [1485; MNW]; vnnl. De vogel is inde knippe [1573; Thes.]; nnl. knipje ‘portemonnee’ in niet op het gesloten knipje blijven zitten ‘niet nalaten om geld uit te geven’ [1843; iWNT], Wouter stal 'n gulden uit het “knipje” van z'n moeder [1862; WNT], knip ‘id.’ in 'k Hiew men hand maar stijf op men knip [1899; iWNT].
Afleiding van → knippen in de betekenis ‘een klappend geluid maken’.
Het woord duidt in het algemeen een voorwerp aan dat door middel van een verende sluiting geopend en gesloten kan worden, bijv. een toestel om dieren te vangen, (een schuifje aan) een deur, (de sluiting van) een portemonnee e.d. Bij uitbreiding ontstonden ook andere betekenissen, zoals ‘gevangenis’. De betekenis ‘portemonnee’ komt vooral voor in enkele vaste verbindingen, zoals zijn hand op de knip houden ‘niet veel geld willen uitgeven’ en in het NN neologisme chipknip ‘betaalpasje met chip’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knip* [val, sluiting met een veer] {cnip(pe) [knip, val] 1485} van middelnederlands cnippen [in het nauw brengen], intensivum van knijpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knip znw., laat mnl. cnip(pe) v. “knip, val”. Van mnl. cnippen “knippen, in het nauw brengen” (nnl. knippen) = mnd. knippen “knip-oogen” (nhd. knippen), waarnaast reeds knippe(n), demin. knipken “knip met den vinger”. Of iterativum, bij knijpen gevormd, òf ouder dan dit en op idg. *gnibh-n- (ĝ?) teruggaande en dan verwant met mnl. cnijf (zie knijpen). Voor een idg. anlautvariant zie nijpen en vgl. ook snipper.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knip v., van knippen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1knip s.nw.
1. (gewoonlik in die verkleinw. knippie) Hoeveelheid wat tussen die duim en voorvinger gevat kan word. 2. Iets wat toeknyp om iets vas te hou. 3. Sny wat in iets gemaak is. 4. Handeling van te knip (2knip). 5. Skuiwer van 'n deur. 6. (plat; slegs in die verkleinw. knippie) Geslagsgemeenskap met 'n vrou.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. knip (1561 in bet. 1, 1639 in bet. 2, 1655 in bet. 3, 1658 in bet. 4, 1782 in bet. 5). Bet. 6 het in Afr. self ontwikkel. Knippie in bet. 6 het 'n minder gebruiklike wisselvorm knypie, wat mntl. verband hou met die uitdr. 'die kat in die donker knyp', of met 'n bepaalde bet. van die Ndl. ww. knijpen ''n vrou of kind met liefkosing knyp (bv. aan die wang)'. Eerste optekening in Afr. in bet. 5 by Mansvelt (1884) in die vorm knippi.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knip ‘het knippen; (vogel)val (die knippend dichtslaat)’ -> Frans dialect clipia ‘muizenval’; Papiaments kenep ‘snee als merk aangebracht in geitenoor’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knip* (vogel)val 1485 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

de hand op de knip houden, geen geld uitgeven; zuinig zijn. Deze uitdrukking werd in de loop van de jaren tachtig populair.

Bovendien, toen het Congres de hand op de knip wilde houden omdat het tegen Amerikaanse hulp aan de Contra’s in Nicaragua was, riepen diezelfde conservatieven dat het buiten zijn boekje ging door zich in het buitenlandse beleid van de president te mengen. (Het Parool, 05/01/90)
Ook andere landen die een sociaal beleid in Europa belangrijk zijn gaan vinden, houden toch het liefst de hand op de knip. (Trouw, 06/06/97)
Gezien het feit dat we een 80486 gaan opvoeren, adviseren wij u de hand op de knip te houden en ‘veel voor weinig’ te winkelen. (Computer Idee, 25/03/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1199. Geen knip (voor den (of zijn) neus) waard,

d.w.z. hoegenaamd niets waard, van zeer weinig beteekenis. Reeds in het Grieksch bij Athenaeus: ουκ αξια οντα ψomicron;φου δακτυλων (zie Suringar, Erasmus, CXXXI). In onze taal bij Servilius, 50*: ten is niet een knippe weerdt, ne crepitu quidem digiti dignum; Sart. I, 8, 75: ick vraech daer niet een knip na, ter vertaling van ‘hujus non facio’. Zie ook Latere Versch. 135 en Brieven v. Abr. Bl. I, 223: Van luije traage jonge lieden komt niet dat; en dan knip ik met myn duym op myn middelste vinger. Afrik. Hy is nie 'n knip voor sy neus werd nie. Vgl. het hd. einem ein Schnippchen schlagen; het eng. I don't care a snap (of my fingers). De woorden ‘voor den (zijn) neus’ schijnen een later toevoegsel. Vgl. het synonieme geen klap om zijne ooren waard zijn (Ndl. Wdb. XI, 42), dat eene navolging zijn kan, en het 17de-eeuwsche niet een krits, eig. geen kras, hoegenaamd niets, geen snars. In Zuid-Nederland: geen klets of slag in zijn gezicht weerd zijn (Antw. Idiot. 664; Claes, 113; Teirl. II, 142); fri. gjin knip foar 'e noas wirdig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut