Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knikker - (stenen of glazen speelballetje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knikker zn. ‘stenen of glazen speelballetje’
Vnnl. knicker, knickert ‘ivoren kogel’ [1607; Kil.].
Wrsch. een klanknabootsend woord naar het geluid van op elkaar stotende knikkers, zoals ook de onderstaande Duitse woorden. Zie ook → knakken en → knikken 2.
Nnd. knicker; mhd. klucker (nhd. Klicker); nfri. knikkert.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knikker* [glazen of stenen balletje als kinderspel] {1599-1607} vgl. nederduits knicker, fries knikkert, in hd. sedert midden 16e eeuw Klicker, ouder (middelhoogduits) klucker; vermoedelijk nabootsing van het geluid van op elkaar stotende knikkers.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knikker znw. m., eerst na Kiliaen, vgl. nnd. knicker (> nhd. knicker), fri. knikkert. — Men vindt daarnaast nhd. klicker (sedert 1549) en laat-mhd. klucker. — Ofschoon men kan denken aan een klankschilderend woord (het tegen elkaar klikken van de knikkers), zal men toch wel eerder van een naam voor een rond voorwerp moeten uitgaan. Vgl. voor de vorm met kl- ohd. clucli ‘globulus’ en zie dan klak 2, voor de vorm met kn- zie: knikken en knaap. — Maar men kan bij een kinderwoord allerlei spontane formaties verwachten.

Uit zuidnl. knikker, knikkel > fra. canette (sedert 1755), vgl. ook waals kinike, quenike en pikard. quenecques, quenique (Valkhoff 85). Uit nnl. knikker het sedert 1860 bekende amerik. eng. knicker (Bense 167).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knikker znw., nog niet bij Kil. Ook ndd. (vandaar nhd.) knicker m., fri. knikkert “knikker”. Wsch. onomatopoëtisch. Een oudere vorm is nhd. klicker m. (sedert 1549) “knikker”, dat zich bij klikken aansluit. Een nog oudere vorm is laat-mhd. klucker, dat een afl. van de basis van kluwen zou kunnen zijn, maar toch in ieder geval wel vervormingen zal ondergaan hebben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knikker m., van knikken 2., d.i. knikkend of met een knik voortstooten (z. knikken 2); een dergelijke uitlegging geldt voor Hgd. knippkugel en klicker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knikker ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’ -> Fries knikkert ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Engels knicker ‘balletje van gebakken klei als kinderspel; platte metalen knoop of schijf; werpspel’; Zweeds † knicker ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect kènike, quenique; kinic; quenette, canette ‘knikker waarmee kinderen spelen; zeer kleine aardappel’; Baskisch kanika ‘knikker, balletje’ ; Indonesisch kenéker, néker ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Javaans kenèker, penèker ‘glazen of stenen balletje’; Kupang-Maleis kaniker ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Madoerees dialect ekēr, neker, taneker, tanekēr, leker ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Makassaars dialect kanêkkeré ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Menadonees kaniker ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Creools-Portugees (Batavia) klitji ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’; Amerikaans-Engels dialect knicker, nicker ‘balletje van gebakken klei als kinderspel’; Papiaments kiniki, ninichi ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knikker* glazen of stenen balletje als kinderspel 1599-1607 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1008. Een jabroer,

d.w.z. iemand, die geen eigen meening heeft, die altijd maar ja zegt en met alles instemt, een ja en amenzegger (17de eeuw), hd. ein Jabruder naast Jaäffe, Jaknecht, Jamensch. Bij Campen, 107: het is een guet Jae Broeder; Mergh, 87: hy is een goet ja-broeder; bij Sartorius II, 1, 52 een Ja heer genoemd (vgl. mhd. hd. Jaherr; zw. jaherre); zie verder C. Wildsch. III, 3: Zij (de vrouwen) tog verkiezen altoos een man van moed, boven een' zoetpraatend jabroêrtjen; Huygens, Korenbl. II, 514: Jan Ja-broer in den Schepenstoel, hy wijst naer alle stemmen gaen; Halma, 233: Jabroer, een onnozele bloed in eenige vergadering, un nigaud, un innocent dans quelque assemblée, qui va comme on le mène, qui opine du bonnet, qui est toujours de l'avis de celui ou de ceux qui ont parlé avant lui; Sewel, 367: Jabroer, one that will agree to any thing, a silly counselour that always consents tho what the other members of the board conclude. Dit laatste herinnert aan de door Kiliaen opgegeven woorden ia-heere, iae-man, iae-schepen, judex pedarius sive pedaneus; Vondel noemt hem een amenvaêr, en Tuinman I, nal. 11 een amenzegger. In Zuid-Nederland noemt men zoo iemand een jaknikker of een knikker. Zie Antw. Idiot. 600; De Bo, 468; Schuermans, 207; Claes, 99; Waasch Idiot. 355; Ndl. Wdb. VII, 63-64; Franck-v.-Wijk, 277.

1197. Er is iets (of een vuiltje) aan den knikker,

d.w.z. er is iets niet in den haak, er is een vuiltje aan de lucht. Vgl. Van Eijk III, 90: daar is vuil aan den knikker, er moet wel iets van dat leelijke geval of gerucht bestaan; Sonnet, 56: Er schijnt toch inderdaad iets aan den knikker; Dievenp. 118: Als je een van je Amsterdamsche sneezen zoo met zoo'n vreemden Mof of Bels ziet rondkuieren, dan kunje d'r op aan, dat er 'n vuiltje aan de knikker zit. Ook er is stront aan den knikker (V. Eijk III, no. 7). Vgl. D.H.L. 1: Er mocht geen bliksem aan mankeeren, zei-die, want anders kwam 'r ‘stront an de knikker’; Kippev. 189: Er is, naar mijn gissing, iets aan den knikker dat er niet aan hoort. Syn. er is kak aan den knikker, de zaak deugt niet of er is kak an 't gat, er is kak aan den knikker (vgl. no. 1055; Teirl. II, 101); vgl. Schoolmeester, 20:

De wolken worden in 't Westen hoe langer hoe dikker,
Daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan den knikker.

Syn. Er is roet in 't eten (zie aldaar en vgl. Boekenoogen, 844).

1198. Het is niet om de knikkers, maar om het recht van 't spel.

Men gebruikt deze zegswijze ‘wanneer men eene handeling wil verklaren, die voortvloeit uit een gevoel van rechtvaardigheid, omdat het billijk is, en niet om zich persoonlijk te bevoordeelen; dus niet om het voordeel, maar om het spel, de eer’; fri. net om 'e knikkerts, mar om 't spil. Zie Tuinman I, 225: ‘Zo zeggen de jongens, wanneer zij om onheusch doen wel eens plukhairen, en malkanderen met de knikker-zakken om de ooren slaan. Hieraan stellen zich gelijk, die om een beuzeling een proçes aanvangen, quansuis om dat het recht aan hunne zijde is, zo zy meenen.’ Zie ook Spaan, 265; Van Effen, Spect. VI, 174; Janus, 73; III, 121; Eckart, 274: 't is nich um de Knickers, man um die Gerechtigkeit von 't Spill; fri. 't is net om 'e knikkerts, mar om 't rjucht fen 't spil; afrik. dit is nie om die hondjie nie, maar om die halsbandjie (Boshoff, 338).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut