Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knikken - (het hoofd op en neer bewegen; half doorbreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knikken 1 ww. ‘het hoofd op en neer bewegen’
Mnl. daer si geknikt in beden lach ‘toen zij gebogen (d.i. geknield) in gebed lag’ [1265-70; VMNW], hi ... knicte thoet ‘hij knikte het hoofd’ [1300-50; MNW-R], knickede hy metten hoved ‘knikte hij met zijn hoofd’ [1415-35; MNW-R].
Gezien de vroege attestatie waarschijnlijk niet hetzelfde woord als → knikken 2, maar een nevenvorm van het meer gebruikelijke werkwoord mnl. nicken ‘zich buigen’, zoals in beneuen haren knin hi leide desine, ende es also genikket ‘hij plaatste zijn knieën naast de hare en is zo neergeknield’ [1265-70; VMNW], vnnl. metten hoofde nicken ‘met het hoofd knikken’ [1573; Thes.]. Mnl. nicken is een intensiefvorming bij de stam van het werkwoord → nijgen ‘buigen’.
Mnd. nicken ‘neerbuigen (het hoofd, de ogen)’; mhd. nicken ‘id.’ (mhd. nicken). De anlaut in deze woorden gaat terug op pgm. *hn-.

knikken 2 ww. ‘half doorbreken’
Vnnl. knicken ‘half doorbreken, zodat de stukken blijven samenhangen’ in men sall oock gheene Loeijen ... moegen knicken ‘men zal ook geen loten mogen knakken’ [1607; WNT].
Klanknabootsend woord, zie ook → knakken.
Ontleend aan het Nederlands zijn: mnd. knicken ‘half doorbreken’ (waaruit door ontlening nhd. knicken ‘id.’); ne. knick ‘id.’; nno. knekke ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knikken* [half doorbreken] {1607} middelnederduits, hoogduits knicken, engels to knick; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knikken ww., mnl. cnicken ‘knakken, half doorbreken, buigen, knikken’, mnd. nhd. knicken ‘knakken, half doorbreken’; abl. on. kneikja ‘buigen, samendrukken’, nnoorw. dial. kneikja achteroverbuigen’. — Blijkens de noordgerm. parallellen moet het ww. oud zijn en dan terug te voeren op een idg. wt. *gneig (IEW 371), een afl. van *gen ‘samendrukken, knijpen’, waarvoor zie: knaap.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knik znw., mnl. cnic (ck) m. “hoofdknik”. = nhd. knick m. “gedeeltelijke breuk”, ook “heg, die alle drie of vier jaren gekapt wordt”, mnd. knick m. “id.”. Van het ww knikken, mnl. cnicken “knakken, half doorbreken, buigen, knikken”, nhd., mnd. knicken “knakken, half doorbreken”. Met ablaut on. kneikja “drukken, klemmen”, noorw. dial. knîk m. “heupgewricht”. De oorspronkelijke verhouding van deze woordgroep tot die van knakken, knijpen, knippen e.dgl. en anderzijds tot nijgen, nikken is bezwaarlijk na te gaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knikken 1 ono.w. (met het hoofd knikken), intens. van *knijgen, dat tot nijgen staat als knijpen tot nijpen.

knikken 2 o.w. (breken), van tuss. knik, bijvorm met ablaut van knak 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

knikke (ww.) (in ’n uigske knikke) knipogen; Vreugmiddelnederlands knikken <1265-1270>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Knikken, versterking van nikken (en dit van nek); vgl. knijpen en nijpen, knoest en noest.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knikken ‘half doorbreken’ -> Duits knicken ‘half doorbreken’ (uit Nederlands of Nederduits).

knikken ‘het hoofd heen en weer bewegen’ -> Fries knikke ‘het hoofd heen en weer bewegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knikken* het hoofd heen en weer bewegen 1300 [MNW]

knikken* half doorbreken 1607 [WNT]

Hosted by Meertens Instituut