Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knie - (gewricht tussen boven- en onderbeen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knie zn. ‘gewricht tussen boven- en onderbeen’
Onl. in Latijnse context in quas kni uocant ‘(bochten in een rivier,) die zij knie noemen’ [1156; ONW]; mnl. knje ‘knie’ [1240; Bern.], op hare knin ... si ter erden neder sanc ‘zij knielde op de grond neer’ [1265-70; VMNW].
Os. knio (mnd. knē); ohd. knio (nhd. Knie); ofri. knī, knē ‘knie’, knībola, knēbolla ‘knie(schijf)’ (nfri. knibbel); oe. cnēo (ne. knee); on. kné (nzw. knä); got. kniu; < pgm. *knewa.
Verwant met: Latijn genū; Grieks gónu (genitief gounós, gónatos); Sanskrit jā́nu- ‘knie’; Avestisch zānu- (Middelperzisch zānūk); Oudiers glún, Bretons -glin (< Proto-Keltisch *gnūnos); Albanees gju ‘knie’ (< *gnu-n-); Armeens cun-r; Hittitisch genu; alle ‘knie’; Tochaars A kanw-em, Tochaars B kenīne ‘knieën’; < pie. *ǵenu-, *ǵonu- (genitief *ǵneu-s), *ǵnu- (IEW 380). Pgm. *knew- gaat terug op de verbogen vorm pie. *ǵn-eu-.
Het is onduidelijk of dit algemeen Indo-Europese woord verwant is met pie. *ǵenu- ‘kin, kaak, wang’ (zie → kin). Verder verband met de wortel pie. *ǵenh1- ‘voortbrengen’ (zie → kunne) is mogelijk. Zie ook → evenknie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knie* [verbinding tussen boven- en onderbeen] {cnie [bocht in rivier] 1156; in de huidige betekenis 1201-1250} oudsaksisch knio, oudhoogduits kneo, oudfries, oudnoors kné, oudengels cneo, gotisch kniu; buiten het germ. latijn genu, grieks gonu, armeens cunr, hettitisch genu-, oudindisch jānu-; verwant met woorden voor hoek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knie znw. v., mnl. cnie o. v., os. knio, ohd. chneo, chniu, ofri. knī, knē, kniū, oe. cnēo, cnēow (ne. knee), on. knē, got. kniu o. — lat. genu, gr. gónu, oi. jānu, av. zanva mv., toch. A kanw- Β keni- (zie voor de verhouding der vormen Petersson SVS Lund 1, 1921, 7).

De verhouding van kin en knie beide idg. *ĝenu, (vgl. IEW 380-1) is onduidelijk Met Feist, Got. Wb. 312 van homonymie te spreken, zoals ‘zo vaak’, is onbevredigend, vooral omdat homonymie voor zo uiteenlopende lichaamsdelen zeer onwaarschijnlijk is. Het Arisch heeft de homonymie opgeheven, door voor ‘kin’ een wt. *ghen in plaats van *gen in te voeren. Beide lichaamsdelen betekenen in de grond een ‘hoek, bocht’, en ondanks herhaaldelijke tegenspraak, is nog steeds te overwegen, beide uit de bet. ‘hoek’ af te leiden. — De verbinding met kind, op verschillende gronden betoogd door Güntert WS 11, 1925, 126 vlgg. en Simonyi KZ 50, 1922, 308 is weinig overtuigend (vgl. ook vHaeringen Suppl. 88-9). — Ook de verouderde bet. ‘graad van verwantschap’ (vgl. evenknie) kan daarvoor niet worden aangevoerd, ofschoon men hier aan een bet. ‘generatie’ zou kunnen denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knie znw., mnl. cnie o., ook al v. = ohd. chneo, chniu (nhd. knie), os. knio, ofri. knî, knê, kniû, ags. cnêo(w) (eng. knee), on. knê, got. kniu o. “knie”. Germ. *knewa-, ablautend met 1. lat. genu, gr. góno, oi. jā́nu- (of idg. ô?) “knie”, 2. arm. cunr (ĝôn-) “id.”, gr. gōnía “hoek”, 3. gr. gnú-petos “op de knie vallend”, oi. jñu-bâdh- “de knie buigend”. Mnl. cnie beteekent ook “geslacht, verwantschapsgraad”, evenzoo mnd. knê, ofri. knî, knê, kniû, ags. cnêo(w), on. knê; vgl. laat-lat. genu “id.”, onder invloed waarvan de germ. woorden wsch. deze bet. hebben aangenomen, en russ. kolěno “id.”. Hiervan mnl. ēvencnie m. “gelijke in geboorte, maag in denzelfden graad”, = owfri. evenknê “id.”; vgl. oofri. ivinknîling m. “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knie. De mening van Güntert WuS. 11, 126 vlg., dat de woordfamilie van knie ten slotte tot een zelfde basis te herleiden zou zijn als die van kind, is onaannemelijk: vgl. nog knaap Suppl. en knecht Suppl. De bet.-overgang ‘knie’ > ‘geslacht’ is stellig van jongere datum en heeft zich wsch. in het Germ. voltrokken (laat-lat. genu ‘geslacht, verwantschapsgraad’ eerder naar het Germ. dan omgekeerd: Cahen BSL. 27, 1,65). Wellicht heeft deze bet. zich ontwikkeld uit ‘knoop (in een plantstengel)’, welke laatste bet. aan on. knê eigen is. — Op geheel andere, maar evenmin overtuigende grond denkt Simonyi KZ. 50, 308 aan oerverwantschap tussen knie en de groep van kind: bij verschillende oude volken vindt de bevalling in geknielde houding plaats.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knie v., Mnl. cnie, Os. knio + Ohd. kneo (Mhd. knie, Nhd. id.), Ags. cnéo (Eng. knee), Ofri. kné, On. kné (Zw. knä, De. knæ), Go. kniu + Skr. jānu, Av. žnu-, Arm. cunr, Gr. gonú, Lat. genu, verwant met kin en knok: Idg. wrt. ḡen = hoekig zijn; vergel. Gr. gōnía = hoek (waaruit Fr. penta-gone, enz.). Knie = Idg. *g̃n-eu̯- (z. ook evenknie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

knee (zn.) knie; Vreugmiddelnederlands kni <1156>.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Slappe knieën, gebrek aan daadkracht of wilskracht.

De bijbelplaats waar deze uitdrukking waarschijnlijk aan ontleend is, luidt, in de woorden van de Statenvertaling: de trage handen, ende de slappe knien (Hebreeën 12:12). De passage moet ongetwijfeld figuurlijk geduid worden; zij maakt deel uit van een hoofdstuk over 'voorbeeldig geloof'. In onze tijd laat men het eerste deel van de oorspronkelijke uitspraak weg, en beperkt men zich tot de slappe knieën; in oudere taalfasen treffen we de trage handen ook nog aan.

Deux-Aesbijbel (1562), Hebreeën 12:12. Daerom recht weder op de traghe handen, ende slappe knyen.
Drie jaar lang werkten negen taalkundigen aan een verbetering van de voorkeurspelling, maar uiteindelijk blijft bijna alles bij het oude. Over de wereldvreemdheid van de commissie, de slappe knieën van de ministers en de wonderoren van de VVD: de geschiedenis van een verandering waardoor er niets verandert. (Onze Taal, 1994, nr. 5)
Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris zijn wetsvoorstel hier gaat verdedigen. Onlangs hebben wij hem op dit punt een wasbeurtje moeten geven. Ik ga ervan uit dat hij niet opnieuw slappe knieën vertoont. (Tweede Kamer, nov. 1995)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knie ‘verbinding tussen boven- en onderbeen; voorwerp in de vorm daarvan’ -> Negerhollands kni, kini, knie ‘verbinding tussen boven- en onderbeen’; Berbice-Nederlands kini ‘verbinding tussen boven- en onderbeen’; Papiaments kinichi ‘kromhout gebruikt bij het bouwen van kano's, zeilboten e.d.; voorhout van de steven van een boot’; Sranantongo kindi (ouder: kni, kini) ‘verbinding tusen boven- en onderbeen’; Aucaans kini ‘verbinding tussen boven- en onderbeen’; Saramakkaans kiní ‘verbinding tussen boven- en onderbeen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knie* verbinding tussen boven- en onderbeen 1156 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut