Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knevel - (dwarshoutje, boei; snor)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knevelen ww. ‘vastbinden’
Mnl. cnevelen ‘binden, toebinden’ in plompe zwarte schoen geknevelt ‘stompe, zwarte, dichtgebonden schoenen’ [1408; MNW]; vnnl. knevelen ‘plunderen, muiten, afpersen enz.’ [1573; Thes.], ‘de handen vastbinden of boeien’ [1599; Kil.].
Afleiding van het zn. knevel ‘dwarshoutje ter bevestiging of verbinding van iets anders; touw of band om iemand vast te binden’ [1599; Kil.].
Nnd. knäfeln, knefeln; nhd. knebeln; nde. kneble, knevle; alle afgeleid van de met knevel corresponderende zelfstandige naamwoorden uit pgm. *knabila-: os. knevil (mnd. knevel); ohd. knebil (nhd. Knebel); on. knefill. Nfri. knevelje is ontleend aan het nnl.
Misschien is pgm. *knabila- een verkleinwoord of afleiding van de wortel *knab-, waarvoor zie → knaap. Vergelijkingen buiten het Germaans, bijv. met Litouws gémbė ‘haak, bospaaltje’ en Grieks gómphos ‘houten pin’ (Kluge) zijn speculatief.
Lit.: Boutkan 1998, 116-117

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knevel1* [stokje om het losdraaien te beletten] {1573} vgl. middelnederlands cnevelen [toebinden], middelnederduits knevel, oudhoogduits knebil (hoogduits Knebel), oudnoors knefill [stok]. Knevel is ook gebruikt voor kerel. De betekenis heeft zich in dit geval ontwikkeld van ‘stok, blok’ tot ‘grote, ruwe kerel’.

knevel2* [snor] {ca. 1560} van knevelen of verkort uit knevelbaard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knevel znw. m. Kiliaen ‘pees, riem, boei’ en ‘knevelbaard’, mnd. knēvel ‘kort en dik dwarshout, knevelpunt’, ohd. knebil, chnebil ‘dwarshout, soort paardegareel’ (nhd. knebel ‘dwarshout, roede, stok’), on knefill ‘dwarshout’. — Germ. *knaƀila is een verkleinwoord van *knaƀa, dat alleen bewaard is in nhd. knabe (waarvoor zie: knaap). Oorspronkelijke bet. is ‘korte dikke stok’; de naam voor de knevelbaard gaat uit van de dikke snorpunt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knevel znw., niet uit ’t Mnl. bekend (wel cnēvelen ww.). Kil. kent in de bet. “knevel” knevelbaerd en verder knevel o.a. met de bett. “pees, riem, boei”. = ohd. chenebil, laat-ohd. knebil m. “dwarshout om te binden, soort paardegareel” (nhd. knebel “id., roede, stok, knokkel”), mnd. knēvel “kort, dik dwarshout, punt van den knevel”, on. knefill m. “dwarshout”. Voor eventueele verwanten met pp uit pn vgl. knap en zie ook bij knaap. Men vergelijkt gr. gnámptō “ik krom”, klruss. h(o)nobýty “benauwen, kwellen”, po. gnąbić, gnębić “id., drukken” met secundair nasaalinfix, en verder ook wel, met ablaut, on. kimbull m. “bundel”, mnd. kimmel “dwarshout in den bek”, ohd. kembil m. “een soort boei, blok” en gr. gómphos “wig, bout”, lit. gémbė “haak, spijker”; zie echter over gr. gómphos bij kam; ook de andere combinaties zijn onzeker. Het vermoeden zou kunnen opkomen, dat in knevel eenige woorden door elkaar zijn geloopen, maar iets positiefs is niet aan te toonen. Met knevel “snorrebaard” heeft men wel on. kampr, kanpr m., ofri. kenep, kanep, knep “id.”, ags. cenep m. “id., gebit aan den teugel” gecombineerd: deze woorden staan zeker in eenige betrekking tot knevel, maar niet speciaal in de bet. “snor”, waarin ’t wsch. een verkorting is van de samenst. knevelbaard, die ook hd. voorkomt. Wellicht is de oorspr. bet. “baard met een knevel”, waarbij knevel dan als “snorpunt”, oorspr. “stokje” of “gedraaid snoer om te boeien” verklaard kan worden.

knevelen ww., mnl. (1408) cnēvelen “binden” (en knovelen “nodare”). Ook nhd. knebeln “boeien”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knevel. Nhd. knebelbart is uit het Ndl.-Ndd. ontleend. — Te ver strekkende combinaties bij Güntert WuS. 11, 128, die alle hier besproken woorden tot een bij kin Suppl. vermelde wortel *ĝen- ‘kromming’ herleidt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knevel 2 m. (knevelbaard), waaruit Hgd. knebel, is een afleid. van Mnl. caneve = wang + Ags. cenep, Ofri. kenep, On. kampr = snorbaard.

knevel 1 m. (dwarshout, boei), Mnl. cnevel + Ohd. knebil met bijvorm kembil (Mhd. knebel, Nhd. id.), On. knefill; voorts hierbij Mnl. caneve, Nnl. kennewe: alle van denz. wortel als kam.

knevelen o.w., van knevel 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

knievel (zn.) snor; Nuinederlands knevel <1560>.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Knevelen, afzetten, geld afpersen, oorspronkelijk binden, boeten, van knevel = (dwars)stok, boei enz. Een goede afbeelding van dit werktuig, nml. een stok met aan weerszijden dicht bij het uiteinde een beugel, welke om de pols sluit, ziet men op een der platen van het Constthoonend Juweel Van Haarlem. De bet. van afpersen zal wel ontstaan zijn uit die van binden, en daardoor dwingen, vgl. in ’t fra. garot (pakstok, knuppel) en garotteur (knevelaar, roover).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knevel ‘stokje om het losdraaien te beletten, boei’ -> Schots † knewel, knewill ‘dwarspen van hout of metaal’; Deens knebel ‘prop in mond’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors knebel ‘stokje om in de mond van mens of dier te stoppen om te verhinderen dat deze geluid geeft’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds knävring ‘stokje om het losdraaien te beletten’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kneewrinki ‘spanstok, dwarshout, sluithout’ ; Russisch knéven, knéven' ‘stokje om het losdraaien te beletten’.

knevel(baard) ‘snor’ -> Deens knevel ‘snor’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors knebel ‘snor’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds knävelborr ‘grote volle snor’ (uit Nederlands of Nederduits); Creools-Portugees (Batavia) kanibel ‘snor’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knevel* stokje om het losdraaien te beletten 1567 [Junius 285B]

knevel* snor 1560 [WNT verdichten I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1196. Een sterke knevel,

d.i. een sterke kerel; fri. in knevel fen in kjierl, in boi; in 't Land van Waas: een kneuvel, stoute kerel; ook een kneuvel van een appel, een groote appel. Eig. is knevel in deze uitdr. een stok, een blok, en vandaar een ruwe, lompe kerel, en bij uitbreiding een sterke vent. Vgl. Kiliaen: Knevel, stipes, malleolus, flagellum; bij Rijndorp, Gestrafte Vrijgeest, bl. 18 is een knevel een boer, een lomperdVan Helten, Proeven van Woordverklaring, 86 en Franck-v. Wijk, 324., waaruit zich ook die van snaak kon ontwikkelen, blijkens Halma, 273, die knevel verklaart door ‘drollige vent’ (vlg. eng. clown). In Gelderland is, volgens Gallée, 22 a, knevel nog bekend in den zin van ‘zware boom, sluithok aan een hek of deur’ en ook in dien van ‘sterke man’. Zie no. 201. In Afrik. wordt knevel gezegd van iets dat heel groot is.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut