Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kneuzen - (kwetsen door pletting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kneuzen ww. ‘kwetsen door pletting’
Mnl. cnosen ‘vernielen’ in de here woudene in ziecheden cnosen ‘de Heer wilde hem door ziekte te gronde richten’ [1348; MNW], die metalen poorten sel ic knoosen ‘... zal ik verbrijzelen’ [1431; MNW], ‘verwonden door een stoot’ so wie op dien steen valle, die sal gheknueset worden ‘wie op die steen valt, zal verwond worden’ [ca. 1431; MNW].
Ohd. knussan; oe. cnyssan (me. knush); on. knosa (nno. knysja); alle ‘hard slaan, stoten, verbrijzelen e.d.’, < pgm. *knusan-. Daarnaast staan varianten met lange -ū-: nnd. knūsen (nde. knuse door ontlening); nhd. dial. chnūssen, chnūsten; on. knúska (nno. knuska).
Verdere herkomst onduidelijk. Misschien verwant met → knuist, en zie ook → knoest. NEW plaatst hierbij als afleidingen ook: mhd. knüllen ‘met de vuist slaan, stompen’; oe. cnyllan ‘luid kloppen’; on. knylla ‘slaan, kloppen, afranselen’ (nzw. knulla ‘neuken’); < pgm. *knullian- < *knuzlian-. Maar die woorden zijn wrsch. eerder klanknabootsend en horen dan bij → knal. Samenhang met → knaap is onwaarschijnlijk.
Buiten het Germaans zijn er geen verwante woorden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kneuzen* [beschadigen] {cnosen, cneusen 1348} oudhoogduits knussen [slaan], oudengels cnyssan [slaan, kneuzen], oudnoors knosa [met slagen mishandelen]; verwant met knoest, knuist, knor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kneuzen ww., mnl. cnōsen, cneusen (ook cnussen) ‘kneuzen, verbrijzelen, verbrijzeld worden’, ohd. chnussen ‘slaan, stoten’, oe. cnyssan ‘slaan, drukken, kneuzen’, on. knosa ‘knijpen, slaan, verbrijzelen’. Daarnaast met ū: nnd. knūsen ‘drukken, kneuzen’, nhd. dial. zwits. chnūssen : chnūsten ‘slaag geven’, on. knūska ‘ranselen’ en met -ll- < -zl- mhd. knüllen ‘met de vuist slaan’, oe. cnyllan, on. knylla ‘slaan, kloppen’. Zie verder nog: knuist. — Een uitsluitend germ. woordgroep, die echter verder te verbinden is met de onder knaap genoemde woorden.

Ook hier een affectieve anlautvariant in nnd. gnūsen. — Naast idg. *gneus staan verder nog *gneut in knot, *gneuĝ in knok en *gneub in knop, alle afl. van *gneu, zoals in on. knȳja ‘drukken, slaan’, knūi ‘knokkel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kneuzen ww., mnl. cnōsen, cnȫsen naast cnussen “kneuzen, verbrijzelen, verbrijzeld worden”. = ohd. chnussen “slaan, stooten”, ags. cnyssan “slaan, drukken, kneuzen”, noorw. dial. knysja “verbrijzelen”, on. knosa “met slagen mishandelen”. Met ablaut zwits. chnûssen, chnûsten “slaag geven”, ndd. knûsen (gnûsen) “drukken, kneuzen”, on. knûska “slaan”. Hierbij ook mhd. knüllen “met de vuist slaan, duwen” (nhd. knüllen), ags. cnyllan, on. knylla “slaan, kloppen” (ll < zl). Vgl. ook knol, knor. Germ. knus- kan met knuk- (zie knok), knup- (zie knop, knoop), knuƀ- (zie knobbel) en het by knop vermelde knut-, knuð- (knuþ-) op een basis knū̆-, idg. gnū̆- teruggaan, waarvan on. knŷja “drukken, slaan”, knûi m. “knokkel”, ags. cnûwian “fijnstampen” en buiten ’t Germ. serv. gnjáviti “drukken” komen. Zie verder knok. Voor een synonieme basis vgl. kniezen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kneuzen. W.de Vries Tschr. 34, 282 vermeldt een dr. kneuren, dat zich misschien bij knor aansluit en dus eventueel met kneuzen in gramm. wisseling kan staan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kneuzen o.w., Mnl. cnosen + Ndd. knösen, Ohd. knussen (Mhd. knüssen), Ags. cnyssan, On. knosa. De z staat in afwisseling met r (vergel. was, waren) en zoo kan ’t woord verwant zijn met knor 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kneuzen ‘beschadigen’ -> Noors knuse ‘verbrijzelen, volledig vernielen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kneuzen* beschadigen 1348 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut