Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kneukel - (knokkel]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knook zn. ‘bot (van een skelet)’
Mnl. knoken ‘botten’ [1460-80; MNW-P], cnoke, knaicke ‘bot’ [1477; Teuth.]; vnnl. knoke, knake ‘id.’ [1599; Kil.].
Mnd. knoke, knake; mhd. knoche (nhd. Knochen); nzw. knoka; < pgm. *knuka-. Wrsch. hierbij ook ablautend *kneuka, waaruit: on. knjúkr ‘bergtop’ (nno. dial. knjuka ‘knokkel’). Met een andere uitgang bovendien on. knúi ‘knokkel’ < pgm. *knūwan.
Geen duidelijke verwanten buiten het Germaans. Misschien verwant met → knie, vanwege de betekenis. Misschien een klanknabootsend woord, naar het geluid van knikkende of knakkende gewrichten; zie → knakken en → knikken 2. Maar wellicht is het een van de vele Germaanse woorden met kn- voor ‘verdikking, verdikt uitsteeksel’ zoals beschreven onder → knot.
knokkel zn. ‘vingergewricht’. Mnl. cnockel ‘id.’. Afgeleid van knook met verkleiningsachtervoegsel als in → druppel en met expressieve medeklinkerverdubbeling. De klankwettige vorm met umlaut luidt kneukel < mnl. cnokel (knoyckel [1477; Teuth.], omtrent eens halfs knokels lanc ‘met de lengte van ca. een halve vingerkoot’ [1479; MNW-P]). Deze vorm is nu vooral BN. ♦ knekel zn. ‘bot van een skelet’. Vnnl. in samenstellingen als knekelvat [1640; WNT vel I], knekel-huys [1647; WNT]. Jonge nevenvorm van kneukel en vooral gebruikelijk in samenstellingen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kneukel* [knokkel] {cnokel ca. 1300} middelnederduits knokel, hoogduits Knöchel, engels knuckle, oudnoors knykill [knoop]; verkleiningsvorm van knok.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kneukel znw. m., mnl. cnōkel, ‘wervel, gewricht’, mnd. knōkel, laat-mhd. knöchel, oe. *cnycel (ne. knuckle) ‘knokkel, gewricht’, on. knykill ‘kleine knobbel’. — Verkleinwoord van knok; zie ook: knokkel.

Opmerkelijk is, dat naast on. knykill ook hnykill ‘knoop, gezwel’ staat; men behoeft misschien niet op twee verschillende wortels terug te gaan, wanneer men met Weisgerber, Rhein. Vierteljahrsblätter 9, 1939, 38-41 in deze sterk affectieve woorden met kn-anlaut onverschoven idg. vormen ziet. Zie echter ook: knagen.

knokkel znw. m., mnl. cnockel ‘knokkel, vingergewricht’, nnd. knukkel, oostfri. knökkel, ofri. knockel. — Afgeleid van knok evenals kneukel. De vorm met -kk- geeft een intensiever bet. aan het woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kneukel znw., mnl. cnōkel, cnȫkel m. v. “knokkel, vingerlid”. = nhd. (al laat-mhd.) knöchel (md. 12. eeuw knügel) m., Teuth. knoyckel, mnd. knōkel, ags. *cnycel (waarvan ge-cnyclede; eng. knuckle) m. “knokkel, gewricht”, on. knykill m. “knobbel”. Deminutiefformatie bij *knuka(n)-; zie knok, waarvan ’t jongere woord mnl. cnockel (nnl. knokkel), Teuth. knockel m., nnd. knukkel, oostfri. knökkel, ofri. knockel “knokkel, gewricht”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kneukel. Ags. *cnycel is zeer onzeker; meng. komt knokel voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kneukel m., Mnl. cnokel + Hgd. knöchel, Eng. knuckle: met eu = ö, dimin. van knok.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Knokkel, kneukel, verkleinw. van knok of knook = been, bot.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut