Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knerpen - (krakend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knarsen ww. ‘een krassend geluid geven’
Mnl. in de afleiding knersinghe van tanden ‘tandengeknars’ [1399; MNW-P], dan knersen ‘verbrijzelen, vermorzelen’ in op wien dat hi valt, die sal gheknerst werden ‘diegene op wie hij (de steen) valt, zal vermorzeld worden’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. knarsen in ghy ... knarst of portelt, en preutelt binnens monts ‘u tandenknarst of mompelt en pruttelt binnensmonds’ [1611; WNT], het knarssen van de vijlen [1621; WNT].
Klanknabootsend woord; zie ook → knakken. De oorspr. vorm is knersen. De huidige vorm is ontstaan door overgang -e- > -a- voor -r- plus dentaal, zoals in → hart.
Mnd. knarsen, knersen, knirsen; mhd. zer-knürsen ‘stukdrukken’, knirsunge ‘tandengeknars’ (nhd. knirschen).
De betekenis ‘vermorzelen, vernietigen’ zoals in de tweede attestatie, is zeldzaam en stond misschien o.i.v. het Middelhoogduits (zie boven). Een verouderd synoniem voor knarsen is vnnl. knerren [1573; Thes.], later knarren [1599; Kil.]. Een jonger woord voor bijna hetzelfde geluid is knerpen [1866; WNT knarpen], dat misschien is ontstaan o.i.v.snerpen. Zie ook → knorren.
knarsetanden ww. ‘met de tanden knarsen’. Vnnl. knarseltanden ‘id.’ [1599; Kil.], [hij] knarssetand [1627; WNT]. Gevormd uit knarsen en → tand, volgens hetzelfde woordvormingsmodel als bij knipogen, stampvoeten, klapwieken e.d.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knarpen* [een krakend geluid maken] {1866} nevenvorm van knerpen.

knerpen* [krakend geluid maken] {1880} klanknabootsende vorming.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knarren. Vgl. nog met gn-: mnl. gnerren ‘knorren (van varkens)’, mhd. gnarren (ook mhd. nhd. knarren ‘knarsen’). — Na de. knirke, knarke adde: zw. knirka, knarka ‘id.’ — Bij knarren sluit zich aan nnl. knarpen, knerpen ‘kraken (van grint, waarover gelopen of gereden wordt)’, dial. (Dr.) ook in de jongere bet. ‘klagen, zeuren’; misschien onder invloed van knappen opgekomen. Enigszins anders W.de Vries Tschr. 34, 232.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knerpen ‘krakend geluid maken’ -> Fries knerpe ‘krakend geluid maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knerpen* krakend geluid maken 1880 [WNT knarpen II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut