Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knellen - (klemmen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knellen ww. ‘klemmen’
Vnnl. eerst de afleiding cnelle (zn.) ‘soort nauwsluitend visnet of fuik’ [16e eeuw; MNW], dan knellen ‘klemmen’ in wy ... werden ... geknelt tusschen een schotse in [1598; WNT], knellen ‘drukken, persen’ [1607; Kil.], t' knellen van de wonden ‘de pijn van de wonden’ [1608; WNT].
Het Nederlandse woord is relatief jong en staat vrijwel geïsoleerd. Volgens NEW ablautend verwant met de bij → kneuzen genoemde woorden voor ‘kloppen, stompen e.d.’ uit Proto-Germaans *knullian-. Het betekenisverband tussen ‘klemmen, drukken’ en de kortstondigheid en luidruchtigheid van ‘kloppen, stompen’ is echter zwak. Ook met mhd. knellen, erknellen ‘knallen’ (zie → knal) lijkt geen betekenisovereenkomst te bestaan.
Alleen nnd. knellen ‘klemmen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knellen* [drukken] {1598} oostfries knellen, middelhoogduits (ablautend) knüllen [stompen], oudengels cnyllan [slaan, kloppen], oudnoors knylla [afranselen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knellen ww., eerst na Kiliaen, maar ook oostfri. knellen. Daarnaast abl. mhd. knüllen ‘stoten, stompen’, oe. cnyllan ‘slaan, kloppen’, on. knylla ‘afranselen’. — germ. *knullian < *knuzlian en dan dus verder te verbinden met kneuzen.

Geen directe ablaut, maar affectieve klinkervariatie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knel, knellen znw. resp. ww., nog niet bij Kil. = oostfri. knel, knellen in gelijke bet. Wsch. een jonge formatie, ontstaan, wat den anlaut betreft, onder invloed van knijpen. Heeft ook klemmen invloed gehad? Als mnl. (noordholl.) knellen mv. “een soort vischnetten” hierbij hoort, is de stam knell- al in de late M.E. ontstaan. Directe samenhang met de woordfamilie van knallen is onwsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knellen o.w., oorspr. onbek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knellen* drukken 1598 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut