Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knapzak - (draagzak met etenswaren)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knapzak* [draagzak met etenswaren] {cnapsack 1552} het eerste lid van middelnederlands cnappen [knappen, stukbijten met de tanden] (cnapper [tand]), dus ‘etenszak’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

knapzak

Het werkwoord knappen betekent oorspronkelijk: het geluid ‘knap’ geven wanneer iets breekt. Bij uitbreiding wordt knappen dan ook gebruikt voor: de mond snel sluiten, happen, op iets knabbelen, aan iets bijten. Nog uitgebreider is de betekenis in: een fles wijn knappen (drinken) en in: een uiltje knappen (een vlinder vangen, gezegd van iemand die een dutje doet). Een knapzak is: een zak of tas waarin levensmiddelen worden meegedragen. Vroeger sprak men van de soldatenknapzak, het voorwerp dat wij nu de ransel noemen. Uit het Nederlands is het woord overgenomen in Engeland (knapsack) en in Duitsland (Knappsack). Ouwe knapzak was vroeger een scheldwoord voor: oude kerel en voor: oud paard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knapzak znw. m., sedert de 16de eeuw opgekomen in nl. en nd. (daaruit nhd. knappsack). Het 1ste lid verbindt men gewoonlijk met knappen ‘bijten; opeten’ (vgl. knabbelen); indien het woord knap ‘eten, spijs’ reeds in de 16de eeuw bestond, zou dit ook het 1ste lid kunnen zijn. — > ne. knapsack (sedert 1603); > fra. canapsa ‘haverzak’ (sedert 16de en 17de eeuw als term van Hollandse soldaten in de legers der Hugenoten).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knapzak znw. Een sedert de 16. eeuw voorkomend ndl.-ndd. woord, dat ook in het Hd. e.a. talen is overgegaan. Samenst. van den stam van knappen in de bet. “bijten, eten” en zak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knapzak m., waaruit Hgd. knappsack, Eng. knapsack en Fr. canapsa, van knap 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

knapsak s.nw.
Sterk sak van seil of leer, gewoonlik op die rug gedra, en deur soldate en reisigers gebruik om veral kos in te dra.
Uit Ndl. knapzak (1552), wsk. 'n samestelling van knappen 'eet, aan iets byt, knibbel' en zak 'sak', so genoem omdat veral kos in die sak gedra is. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Knappsack, Eng. knapsack (1603).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

knapzak zakje waarin de boterhammen meegenomen worden (Antwerpen, West-Noord-Brabant). Ss. van zak met de stam van knappen ‘eten’ of met het znw. knap I ↑ ‘maaltijd’.
WNT VII 4508.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

knapsak: leersak v. d. vel v. ’n wildsbok (bv. vir veewagter om kos mee te neem; by Trig knap sak, vgl. lRo T DLT 243); Ndl. knapzak (by Kil knap-sack, in Ndl. veroud., maar nog in dial.)

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Knapzak, tasch of zak om eten in mede te nemen, fouragetasch, vgl. got. matibalgs. Knap voor eten, stam van knappen, verwant met knabbelen en knauwen (mnl. knaven), komt ook afzonderlijk voor. Langendijk IV, 268: “Gebraaden kikkerboutjes en champignons . . . Dat is ook lekkere knap,” In ’t mnl. knapsac; daar komt ook voor het ww. cnappen in de bet. van stukbijten met de tanden: en cnapper voor: tand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knapzak ‘draagzak met etenswaren’ -> Engels knapsack ‘ransel, rugzak’; Duits † Knappsack ‘draagzak met etenswaren’; Deens † knapsæk ‘draagzak met etenswaren’ ; Frans † canapsa ‘op de rug gedragen tas; degene, die de rugzak draagt, meest een soldaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knapzak* draagzak met etenswaren 1552 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal