Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knagen - (stukjes afbijten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knagen ww. ‘stukjes afbijten’
Mnl. cnagen [1240; Bern.].
Mnd. gnagen; ohd. gnagan, knagen (nhd. nagen; dial. knagen); oe. gnagan (ne. gnaw); on. gnaga (nzw. gnaga); alle ‘bijten, knagen’, < pgm. *gnagan-. De varianten met wisseling van de anlaut gn-/kn-, en door simplificatie n-, zijn in het Germaans ontstaan. Wrsch. een klanknabootsend Germaans woord.
Wellicht verwant met Lets gņẽga ‘iemand die met lange tanden eet’, en dan bij een wortel pie. *ghnegh-.
Dit was oorspr. een sterk werkwoord dat werd vervoegd zoals varen, maar in het Middelnederlands komt de sterke verleden tijd *cnoech al niet meer voor en is het verl.deelw. ghecnaghen zeldzaam.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knagen* [met de voortanden langs iets gaan, een aanhoudende onaangename gewaarwording veroorzaken] {cnagen 1201-1250} oudsaksisch, oudengels gnagan (engels to gnaw [knagen], to nag [knagen aan iem.]), oudhoogduits gnagan, nagan, oudnoors gnaga; buiten het germ. lets gņēga [iem. die met lange tanden eet], avestisch aiwiγnixta [aangeknaagd]; voor de vormen op kn- vgl. knijpen - nijpen, knoest - noest e.d.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knagen ww., mnl. cnāghen (sterk en zwak), os. ohd. knagan. Daarnaast os. ohd. gnagan, ne. gnaw, on. gnaga. — Met dit laatste verbindt men av. aiwi-γniχta ‘aangeknaagd’, lett. gńẽga ‘met lange tanden eten’.

Dit beschouwt men als een gutturaal-afl. van de idg. wt. *ghen ‘knagen’, waarvan het on. vele afleidingen heeft (AEW 178). — Een vorm als knagen zou dan op *gen moeten teruggaan. Daarnaast staat dan nog: ohd. nagan (nhd. nagen). — Daar de wisseling van gn : kn vaak voorkomt en zelfs nog met germ. hn wisselt, is het niet aan te bevelen, verschillende idg. wortels aan te nemen, daar woorden van deze soort grotendeels jonge formaties in het germaans zijn en de wisseling van de anlaut een affectief karakter zal hebben (zie J. de Vries IF 62, 1956, 136-150). Dit blijkt verder daaruit, dat hier ook vaak klinkerwisseling optreedt, die niet op ablaut berust en dat ook het eind van de stam kan wisselen; zo staat naast on. gnaga: fær. gnadda, nzw. gnattra. Men kan dus knabbelen evenzeer als zulk een variant van knagen beschouwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knagen ww., mnl. cnāghen (sterk en zwak). = ohd., os. knagan “knagen”, met kn-, naast wellicht ouder gn- (vgl. knap) in ohd., os., ags. gnagan (eng. to gnaw), on. gnaga “knagen”. Met het oog op het synonieme ohd. nagan (nhd. nagen) gaat men wel van de idg. basis neĝh- uit, waarvan ook lett. nafis, obg. nožĭ “mes”, nĭznąti “steken” komen (waarbij nog wel ier. ness “wonde”, gr. nússō “ik stoot, steek”, énkhos “lans”, oi. ákṣu- “staak” gebracht worden). De gn- (kn-)vormen, die dan jonger zouden zijn dan die met anlautende n-, zijn bij deze hypothese moeilijk te verklaren. Dat gn- uit ʒa-n- ontstaan is, is niet aannemelijk. Veeleer moeten we een wortel ghnēgh- aannemen en lett. gnêga “knagend etend”, av. aiwiγnixta- “beknabbeld” vergelijken. In ohd. nagan kan men dan een jongeren vorm zien òf men kan hiervoor de combinatie met obg. nožĭ enz. handhaven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nagel, wordt door Schrijnen WuS. 5, 296 bij ohd. nagan ‘knagen’ (zie knagen) gebracht. Niet waarschijnlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knagen o.w., Mnl. cnaghen, Os. knagan + Ohd. knagan, On. knaga; daarnevens Ohd. gnagan, Ags. id. (Eng to gnaw), Zw. gnaga, De. gnave; daarnevens nog Ohd. nagan (Nhd. nagen), On. naga: niet buiten het Germ. Voor de verhouding knagen: nagen, vergel. nog neutelen, nijpen, nop, noest, nurken met knutselen, knijpen, knop, knoest, knorren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

knaoge (ww.) knagen; Vreugmiddelnederlands cnagen <1240>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knagen ‘kleine stukjes afbijten; een aanhoudende onaangename gewaarwording veroorzaken’ -> Fries knage ‘kleine stukjes afbijten; een aanhoudende onaangename gewaarwording veroorzaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knagen* kleine stukjes afbijten 1290 [CG II1 En.Codex]

knagen* een aanhoudende onaangename gewaarwording veroorzaken 1569 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2485. Het zijn de slechtste vruchten niet, waaraan de wespen knagen,

d.w.z. degenen, die uit nijd en afgunst besproken worden, zijn dikwijls de beste en deugdzaamste menschen; eene gedachte die de Romeinen uitdrukten door summa petit livor. Zie Harrebomée II, 424; De Arbeid, 23 Januari 1915, p. 3 k. 3: Dat ‘Walden’ meer benijd dan bemind is, behoeft zeker geen betoog. Het zijn echter niet de slechtste vruchten waaraan de wespen knagen!; Antw. Idiot. 1407: 't Zijn goei vruchten, waaraan de wespen knagen, 't zijn de deugdzame menschen die belasterd worden. Vgl. hd. Dukaten werden beschnitten, Pfennige nicht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut