Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knabbelen - (met kleine beten knagen, kluiven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knabbelen ww. ‘met kleine beten knagen, kluiven’
Vnnl. cnabbelen ‘langzaam kauwen’ [1562; Naembouck], terwijlent cnabbelt den armen boerman een bruun curste rogghen broots ‘intussen knabbelt de arme boer aan een bruine korst roggebrood’ [1566; WNT].
Klanknabootsend woord met de uitgang van een frequentatief. Zie ook → knibbelen.
Nnd. knabbeln (waaruit door ontlening nhd. knabbern); nfri. gnabbelje, knabbelje; ne. vero. knabble, knable. Daarnaast diverse klankvarianten: vnnl. knappen; nhd. knappern; nfri. gnabje, knabje, gnaffelje; ne. vero./dial. knap, knapple; nzw. knapra. Alle genoemde woorden betekenen min of meer hetzelfde als knabbelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knabbelen* [kort op iets bijten] {cnabbelen [babbelen] 1546; de betekenis ‘bijten’ 1562} vgl. nederduits knabbeln, hoogduits knabbern, knappern, fries knab(bel)je, engels to knabble, een iteratief blijkens verouderd hoogduits knaben, engels to knab; van knappen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knabbelen ww., sedert Kiliaen, nnd. knabbeln, nhd. knabbern, knappern, fri. knabbelje, knabje, gnabje, gnaffelje, ne. knab ‘knabbelen, knagen’, noorw. dial. knabbe ‘gulzig eten’. — Zie verder: knappen.

De bet. knabbelen plaatst het evenwel dichter bij knagen. Maar het is zeker een jong woord. Voor de wisseling kn : gn zie ook bij knagen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knabbelen ww., sedert Kil. Vgl. nhd. knabbern, knappern, ndd. knabbeln, fri. knabbelje, knabje, gnabje, gnaffelje, eng. to knab “knabbelen, knagen”, noorw. knabbe “kapen”, dial. “gulzig eten”. Wsch. betrekkelijk jonge woorden, in associatie staande 1. met allitereerende woorden als knagen, knauwen, 2. met rijmwoorden: krabb(el)en, grabbelen e.dgl., 3. met knappen. Mnd. gnabben = “knorren”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knabbelen o.w., frequent. met verdubb. ƀ van Mnl. cnaven + Hgd. knaben, Eng. to knab, synon. en verwant met knagen (z.d.w., alsook knauwen en knibbelen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knabbelen ‘kort op iets bijten’ -> Engels † knabble ‘nibbelen’;? Duits knabbern ‘kort op iets bijten’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knabbelen* kort op iets bijten 1562 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut