Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knaap - (jonge man)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

knaap zn. ‘jonge man’
Onl. knapo ‘dienaar’ in ne kere antsceine thin fan knapin thinin ‘wend je gelaat niet af van je dienaar’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. cnape ‘jonge man’ in die uiere cnapen en die uader ‘de vier jongens en de vader’ [1220-40; VMNW], ‘knecht, ondergeschikte’ in knapen ... te dienste onthouden ‘knechten in dienst hebben’ [1236; VMNW].
Mnd. knape (ontleend als on. knapi); ofri. knapa (maar nfri. knaap is ontleend aan het Nederlands); oe. cnapa; alle ‘jonge man, jongen, dienaar e.d.’, < pgm. *knapa-. Daarnaast staan enkele vormvarianten, alle met dezelfde betekenis.
Uit pgm. *knab-: ohd. knabo (nhd. Knabe); oe. cnafa (ne. knave ‘schurk; boer (bij kaarten)’). Uit pgm. *knapp-: ofri. knappa. Uit pgm. *knabb-: ohd. knappo (nhd. Knappe); nzw. dial. knabbe.
Hierbij hoort misschien het verkleinwoord pgm. *knabil- ‘dwarshout, korte dikke stok’, zie → knevel, alsook nzw. (vero./dial.) knabb ‘dik stuk hout: bergje: dikke jonge stier’ en nzw. knap ‘stuk hout of T-vormig ijzer om touw aan te bevestigen’. Woorden voor ‘kort, dik stuk hout’ hebben wel vaker een betekenis ‘gedrongen en/of lomp persoon’, bijv.knuppel en → bengel.
Buiten het Germaans zijn er geen verwante woorden. De verschillende wortelvarianten, met -p-, -b-, -pp- en -bb-, kunnen vanuit het Indo-Europees niet verklaard worden en zijn volgens Kuiper (1995: 70) kenmerkend voor ontleningen aan een Noordwest-Europese substraattaal.
Men leidt het woord ook wel af van een uitbreiding pie. *g(e)neb- ‘klein houten voorwerp’ (IEW 378-379) bij een wortel pie. *gen- ‘samendrukken, knijpen’ (IEW 370-373); met name in de Scandinavische talen worden woorden voor dikke stukken hout, of hout met een dik uiteinde vaak in overdrachtelijke zin gebruikt voor mensen met ‘veel vorm, maar weinig inhoud’. In dit verband kunnen nog vermeld worden nde. klods ‘houtblok, klos; sukkel’ en nzw. (vero./dial.) knabb ‘dik stuk hout’, ‘bergje’ en ‘jonge stier’, in het nno. ook nog ‘dikke man’, ‘dikke os’ of ‘dik varken’. Het bestaan van deze Indo-Europese wortel is echter omstreden, omdat bijna alle door het IEW genoemde afleidingen van deze wortel Germaans zijn. Daaronder vallen onder meer → knecht, → kneden, → kneuzen, → knijpen, → knippen, en de bij → knot genoemde woorden met het gemeenschappelijke kenmerk ‘verdikking, verdikt uitsteeksel e.d.’.
In het Middelnederlands was dit het gewone woord voor ‘jonge man’. In deze neutrale betekenis is het woord nu in Nederland verouderd en wordt het uitsluitend gebruikt in bewust archaïserende of ironische context. Verder bestaan er nog enkele samenstellingen, bijv. schandknaap ‘jongen die tegen betaling met mannen seks bedrijft’, en het historische begrip schildknaap ‘wapenknecht’, en spreekt men overdrachtelijk nog van een knaap van een ... ‘een zeer grote ...’.
knaapje zn. (NN) ‘kleerhanger’. Nnl. hing hij den rok van mijn oom over den knaap [1839; WNT], knaapje ‘kleerhanger of -beugel’ [1950; Van Dale]. Verkleinwoord van knaap ‘kleerhanger’, uit algemener ‘dragend of steunend voorwerp’, een overdrachtelijke betekenis van ‘knecht, bediende’. Het WNT somt diverse specifieke voorwerpen op die knaap of knaapje werden genoemd, waarvan de kleerhanger het langst in gebruik is gebleven.
Lit.: Boutkan 1998, 116-117

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knaap* [jongen] {oudnederlands knapo 901-1000, middelnederlands cnape [jonge man, jongen, leerling, dienaar, knecht, handwerksgezel, schildknaap]} middelnederduits knape, oudfries knapa, oudengels cnapa; van omstreden herkomst, doch vermoedelijk ablautend met de stam van kind.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knaap znw. m., mnl. cnāpe m. ‘jonge man, jongen, bediende, handwerksgezel’, onfrank. knapo ‘puer’, mnd. knāpe, ofri. knapa, oe. cnapa ‘jongen, jonge man, dienaar’. — Daarnaast staan oe. cnafa (ne. knave) ‘jongen, jonge man’, laat-ohd. knabo ‘jongetje’ (nhd. knabe) en laat-ohd. knappo ‘knaap, jongeling’ (nhd. knappe), ofri. knappa ‘jongeling, knecht’. — knaap betekent echter ook ‘houten lat voor kleren; klampje om iets voorlopig vast te spijkeren’, vgl. nhd. dial. knabe ‘stift, bout’, oe. cnæp m. ‘heuveltop, spits’, on. knappr m. ‘knoest, knoop’. Daar namen voor kinderen of jonge mensen meermalen oorspr. woorden voor ‘kort, dik stuk hout’ zijn (vgl. bengel, kleuter, vlegel) moet men ook hier van het woord knaap ‘houten voorwerp’ uitgaan. — De idg. wt. is *gen ‘samendrukken, knijpen’, vgl. ook gr. gómphos ‘pin’, gnámptō ‘buigen’.

Van deze wortel kent het germ. vele afleidingen en wel: (IEW 370-373).
gnebh vgl. oe. cnafa (zie boven)
gneb vgl. knaap
gnegh vgl. knecht
gner vgl. knor
gnes vgl. knoest
gnet vgl. kneden
gneibh vgl. knijf, knijpen, knippen
gneubh vgl. knoop en knop
gneuĝ vgl. knok en knokkel
gneus vgl. kneuzen en knuist
gneut vgl. knot en knuttel.
FW 321 geeft de voorkeur aan het verbinden van knaap met de idg. wt. *ĝen ‘verwekken’, waar voor zie: kind. Het bezwaar is, dat knaap nooit gebruikt wordt voor ‘kind’, maar alleen voor ‘jongen, jonge man’ in het algemeen; daarom krijgt het ook de betekenis van ‘dienaar, schildknaap’. — knaap ‘klerenbeugel’ zou ook kunnen teruggaan op fri. knāp ‘knoop’ en dan moet men uitgaan van de knop, waaraan de kleren opgehangen werden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knaap znw., mnl. cnāpe m. “jonge man, jongen, bediende, handwerksgezel, schildknaap”. = onfr. knapo m. “puer”, mnd. knāpe, ofri. knapa, ags. cnapa m. “jongen, jonge man, dienaar”, on. (ontleend) knapi m. “dienaar”. Hiernaast de wisselvormen ags. cnafa m. “jongen, jonge man” (eng. knave), laat-ohd. knabo m. “jongentje” (nhd. knabe) en laat-ohd. knappo m. “knaap, jongeling” (nhd. knappe), ofri. knappa m. “id., knecht”. De onderlinge verhouding tusschen de stammen *knapan-, *knaƀan-, *knappan- is niet klaar: in ieder geval moeten wij in kna- ’t basiselement zien. Dat kna-, idg. ĝno- is een ablautsvorm van de bij kind besproken basis ĝenê-; een bnw. met dit ĝno- als stam is het tweede lid van gr. neo-gnó-s “jong-geboren”, wellicht ook dat van lat. benignus, malignus “goed-, slechtgezind”; ook hierbij got. niuklahs “pasgeboren” (-*knaχa-)? Vgl. knecht. Volkomen op één lijn met germ. *knaƀan- staat formantisch ’t woord *χraƀan-; zie raaf. Dit parallele geval maakt de hypothese nog onwaarschijnlijker dan ze ook anders al zijn zou, dat knaap niet van de basis ĝenê- zou komen, maar verwant zijn met. ags. cnæp(p) m. “heuveltop, knoop, gesp”, on. knappr m. “knoest, knoop” (die wel met knevel worden gecombineerd). Men wijst dan op de analoge bet.-ontwikkeling bij bengel e.a. woorden. — Knaap “houten ezel” is ’t zelfde woord, met overdr. bet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knaap. De kwestie van verwantschap òf met kind òf met ags. cnæpp, on. knappr (tegenover deze laatste mogelijkheid staat het art. te stellig afwijzend, al is combinatie met kind waarschijnlijker) wordt al te gemakkelijk afgedaan door Güntert WuS. 11, 128, die beide woordgroepen ten slotte tot een en dezelfde wortel *ĝen- ‘gebogen, hoekig’ en ‘geslacht’ wil herleiden (vgl. knie Suppl., kin Suppl., knaap Suppl.; ook knevel Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knaap m., Mnl. knape, Onfra. knapo + Ags. cnapa, On. knapi; met andere slotconsonant Ohd. knabo (Mhd. en Nhd. knabe), Ags. cnafa (Eng. knave); ook Ohd. knappo (Mhd. en Nhd. knappe): met knecht, van denz. oorspr. als kind, kunne en koning + Oier. gnia = dienaar. Knaap is Idg. * g̃n̥̄-b-, knabe is Idg. * g̃n̥̄-bh- en knappe is Idg. g̃n̥̄-bn- of * g̃n̥̄-bhn-.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Knaap, mnl. cnape, eng. knave; nu: jongen, vroeger: persoon van adellijke geboorte, doch die (nog) niet tot ridder geslagen was. Misschien evenals knecht (vgl. eng. knight = ridder) van denzelfden stam als kind. In het Duitsch heeft men met verschillende uitgangen naast elkaar Knabe en Knappe, waarvan het eerste de bet. van jongen, het tweede die van ridder heeft. Verg. voor den overgang nog het woord Infant(e) (kroonprins, prins), eig.: nog niet sprekend kind, hier als het kind bij uitnemendheid; vroeger ook bij ons: kind = prins, en ook ons prinsesje hoort men nog wel het kind noemen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knaap ‘jongen’ -> Fries knaap ‘jongen’; Zweeds knape ‘page, schildknaap’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect napê, napon ‘kwajongen, nietsnut’; Amerikaans-Engels dialect † kanaapie ‘kind’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knaap* jongen 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut