Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kluwen - (tot een bol opgewonden draad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kluwen zn. ‘tot een bol opgewonden draad’
Mnl. cluwen ‘kluwen’ [1240; Bern.].
Os. kleuwīn (mnd. kluwen); oe. cleowen (ne. clew), nfri. kleaune; < pgm. *kliwina-, verkleinwoord van *kliwja-, -jō-, waaruit: ohd. kliu(wi), kliwi (mhd. kliuwe), kli(u)wa, kliuwelīn (mhd. kliuwel(īn) en door dissimilatie kniuwel, kniulin, nhd. Knäuel); on. klé. Al deze woorden betekenen ‘samengebalde massa’, later (mnl., mnd., mhd., me.) ook ‘kluwen’.
Wrsch. verwant met: Grieks gíg-glu-mos ‘gewricht’; Sanskrit glāu- ‘bal, kogel’; Oudiers glō-snáthe ‘lijn’, letterlijk ‘kluwendraad’, Middeliers glao, glau ‘bal’; bij de wortel pie. *gleu- ‘bolvormig voorwerp’ (IEW 361). Hierbij ablautend misschien *glēu-/glou-, zie → klauw, en met -t-achtervoegsel misschien ook Grieks gloutós ‘bil’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kloen* [kluwen] {cloen 1440} de westelijke vorm kloen, waarin de w verdwenen is, is een dial. variant naast klouwen en kluwen.

kluun* [kluwen] {1901-1925} van kluwen (vgl. kloen).

kluwen* [knot] {clu(w)e(n), clouwe(n) 1201-1250} middelnederduits kluwen, klon, oudsaksisch kleuwin, oudengels cliwen, cleowen, oudhoogduits kliuwa, oudengels cleowe (engels clew), van een i.-e. stam met de betekenis ‘krommen, een windende beweging maken’. Buiten het germ. grieks gloutos [bil], oudindisch glau- [bal, bol]; verwant met kluit1, kloot, klauw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kluwen znw. o., mnl. clûwen, clouwen, cluen, clûwijn, mnd. klûwen, os. kleuwin, oe. clīwen, clēowen o. ‘kluwen, bal’; dit is afgeleid van kluw, vgl. Kiliaen kluwe, klouwe, ohd. chliuwi o., chliuwa v., oe. clēowe ‘kluwen’ en on. klē m. ‘steen aan weefstoel om de draden te spannen’. — oi. glāu-s ‘bal, kogel’, gr. gíg-glu-mos ‘gewricht, deurhengsel’, oiers glō-snáthe ‘lijn, norm, eig. kluwendraad’ (IEW 361). — Zie verder: klauw en kalf 1.

In Zuidholl. Zeeland en westelijk Noordholl. vinden wij de vorm kloen(e), in Gron. kloun(e), vgl. mnd. klōn. Dit is ontstaan uit klouwen evenals schoer uit schouwer < schouder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kluwen znw. o., bijvorm kloen, vooral in holl. en aangrenzende diall. Deze vorm is klankwettig uit kluwen > klouwen ontstaan: vgl. schouder > schouwer > schoer. De vorm klouwen bestaat dial. nog, o.a. Assendelftsch, Maastrichtsch. Mnl. komt ’t woord als clûwen, clouwen, cluen, clûwijn o. voor. = mnd., md. klûwen (mnd. ook klôn), os. kleuwin, ags. clîwen, clêowen o. “kluwen, bal”; deze formatie is een afl. van een korteren stam: Kil. kluwe, klouwe (nnl. kluw), ohd. chliuwi o., chliuwa v. (demin. chliwelîn, cliuweli o., 11. eeuw, > nhd. knäuel m. o.), ags. clêowe (eng. clew) “id.”; vgl. ook on. klê m. “steen, aan den weefstoel, om de draden gespannen te houden”. Wij moeten van germ. kle-w- > kleu-w- uitgaan. Verwant zijn in ’t Germ. de bij klauw, kloot, kluit I (klier?) besproken woorden en ags. clyne o. “bol, klomp”, zw. dial. klunn m. “klomp”, ags. clyccan “krommen”, buiten ’t Germ. ier. glao-snathe “linea, norma”, letterlijk “bal-draad”, (lat. gluo sustúphō is een onjuiste glosse), gr. gloutós “bil” en “sphaírōma (tēs kotúlēs)” (Hes.), (russ. glú(z)dkij “glibberig, glad”, lit. glaudùs “tegen iets aangevlijd”, glúdoju “ik lig tegen iets aangevlijd”?), (arm. kłuim “ik verschrompel, trek mij samen”?), oi. glau- “bal, bol, kogel”. De basis g(e)leu- beteekent “krommen, een draaiende, windende beweging maken”. Voor verwanten hoogerop zie klemmen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kluwen. Lees: ier. glao-snâthe.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kluwen. Lees: ier. glao-snâthe (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kluwen o., Mnl. cluwen, cluen, clouwen, Os. kleuwin + Ndd. kluwen, Ags. cléowen; daarnevens kluw, Kil. kluwe + Ohd. kliuwi (Mhd. kliuwe), Ags. clýwe (Eng. clew), verder Nhd. knäuel, gedissim. uit kläuel + Skr. glaus = bal, Gr. gloutós = bil, Oier. glao-snathe = baldraad, Ru. gludkij = glibberig, Lit. glaudùs = tegenaangevlijd: Idg. wrt. gleu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kloontje, kleuntje, zn.: bergkast, berghok. Dim. van Mnl. cloen, cluen, cluyn ‘kluwen’, Vnnl. kloen.j.klouwe ‘kluwen’ (Kiliaan); Mnd. klôn. Verwant met kloot, kluit, kluwen.

klouw, zn.: kluwen. Uitdr. iemand klouw geven ‘iemand gelijk geven, toegeven’, ontleend aan het vliegeren, omdat de vlieger hoger stijgt naarmate meer ‘kluwen’ gegeven wordt (Rutten). Mnl. cluwe ‘kluwen’, Vnnl. kluwe, klouwe (Kiliaan). Met de bekende uw/ouw-afwisseling, zoals duwen/douwen. Eveneens zonder eind-n in Fri. kleauw(e), Ohd. chliuwa, Me. clewe, E. clew.

knouwel, zn.: homp (brood, ham), stuk. D. Knäuel ‘kluwen, bal’, zie knujel.

knujel, zn.: lompe dikke jongen, plompe kerel. Mhd. knüel, kniuwel, D. Knäuel ‘kluwen, bal draden, vormloze massa’. Door dissimilatie uit Mhd. kliuwel, dim. van Ohd. kliuwa, Mhd. kliuwe, Mnd. klüwen, Ndl. kluwen, Oe. cliwen, cleowen, E. clew. De betekenis ‘lomperd’ schuilt in de ‘lompe bol’. Bij de Idg. wortel *gel- ‘zich ballen’;

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

klouw, zn.: tot een kluwen opgewonden vliegertouw. Mnl. clouwe, clouwen naast cluwe, cluwen ‘kluwen’, Vnnl. klouwe ‘kluwen’ (Kiliaan). Vgl. douwen/duwen, houwelijk/huwelijk. Zelfde etymologie als Ndl. kluwen.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

clue s.nw. (geselstaal; veral in die uitdr. nie 'n clue hê nie)
Benul.
Uit Eng. clue (1628).
Eng. clue uit Eng. clew 'rol garing' uit Oudengels cliwen, cleowen, so genoem n.a.v. die Griekse mitologiese verhaal van die doolhof in die paleis van koning Minos van Kreta waarin die minotaurus, 'n monster met die liggaam van 'n mens en die kop van 'n bul, aangehou is, en waar prins Theseus van Athene in sy redding van die koning se dogter 'n rol garing met sy intog in die doolhof afgerol en dit met sy uittog gevolg het.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kloen(e) 1 zn.: kluwen. Zoals kluun, door elisie van de w < kluwen. Mnd. kluwen, klon. Idg. *gleu- < wortel *gel- ‘zich ballen, gerond’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kloen (G), zn. m.: lomperd. 1800 gy zyt een lomperik, wie heeft er ooyt gehoort van zoo een botte kloen, Gent (LC). Vgl. Wvl. kloene 'lompe vrouw'. Vnnl. kloen, klouwe 'kluwen' (Kiliaan). Overdr. uit kloen 'kluwen' na wegval van de w uit klouwen, kluwen.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kloen, kloun kluwen (Zuid-Holland, Zeeland, Groningen, West-Noord-Holland). = kluwen (= os. kleuwin), afl. bij 16e-eeuws kluwe ‘id.’. ~ oind. glāus ‘bal’.
NEW 333.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kaloene (O), zn.: penis. Met svarabhaktische klinker (a) < kloene (b.v. Zeeuws) ‘kluwen’, vandaar overdr. ‘balzak’ > ‘penis’.

kloene (GG: P), zn. v.: lompe vrouw, treuzelaarster. Vroegnnl. kloen, klouwe ‘glomus’ (Kiliaan). Overdr. uit kloen ‘kluwen’, na wegval van de w < klauwen, kluwen.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

klu’wen (de, -s), klu’wentje (het, -s), klein, meestal geheel recht klosje van karton (pijpje) of plastic, voor zijde, garen o.i.d. Klutje garen in dezelfde kleur als gebruikte goed en het aantal naalden (Sedoc 55). - Etym.: AN kluwen wol, katoen e.d. noemt men in Sur. altijd, zoals ook wel in Ned., een bol wol, enz. - Zie ook: klos(je)*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kluwen, van den Germ. wt. klu, kleu (Idg. glu): samentrekken tot een bal. Van dezen wt. stamt ook vermoedelijk: klauw = om het samentrekken der teenen of nagels; verder zouden kluit en klont familie zijn. Ook kogel (Veluwsch koegel; Hgd. Kugel, dial. Kulgel) brengt men er mee in verband.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kluwen ‘knot’ -> Papiaments † bol di kluwen ‘knot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kluwen* knot 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal