Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klungel - (sukkel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klungel* [sukkel] {1781} vgl. nederduits klüngel, fries klongel, verkleiningsvorm van klonghe [kluwen] {1599} de oorspr. betekenis is wel ‘ineengedraaide massa’. Vgl. voor het depreciërende klont, kloen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klungel znw. v., eerst na Kiliaen ‘lap, vod; morsig of gemeen vrouwspersoon (vgl. gron. klongel, klungel); ‘sukkel’, westf. klüngel m. ‘lomp; zeer kromme weg’, nhd. klüngel ‘bal van gewonden draden’, oostfri. klüngel ‘slordige, liederlijke vrouw’, fri. klongel ‘vod, lor; morsige, liederlijke vrouw’. — Een verkleinwoord van Kiliaen klonghe (Ger. Sicamb.) ‘bal’ en verder on. klungr m. ‘hondsroos’, nde. klynge ‘troep, bosje, kluit’. — Abl. naast kling 2.

Daarnaast staan vormen als westf. klunke(n) m. ‘vlek, klodder’, nhd. klunker v. m. ‘klompje, kwast’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klungel znw., nog niet bij Kil. Deze kent wel “klonghe. Ger. Sicamb. j. klouwe. Glomus”. Klungel = nhd. klüngel o. “bal van gewonden draden” (mhd. al klungelîn), westf. klüngel m. “lomp, zeer kromme weg”, oostfri. klüngel “slordige, liederlijke vrouw”, fri. klongel “id., vod, lor”. De bet. “liederlijke vrouw” gaat op “vod” terug; vgl. slet. Kil. klonghe = ohd. chlunga v. “kluwen”. Vgl. ook on. klungr m. (gen. -rs) “wilde roos, hondsroos”, de. klynge “troep, bosje, kluit”. Ablautend met mnl. clinghen “kleven, vastzitten”; zie kling II. Ook komen wisselvormen met k voor, zooals nhd. klunker v. m. “klompje, kwast”, westf. klunke(n) m. “vlek, klodder”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klungel. De bett. ‘vod’ en ‘slechte vrouw, bijzit’ ook verenigd in gron. klongel, klungel, waarbij het ww. klongeln ‘overspel doen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klungel v., van klungelen = slingeren, frequent. met ablaut van klingen 2, wegens de beweging.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

klungel: knoeier, prutser. Sedert ca. 1781. Betekende oorspronkelijk: samenhangende massa, kluwen en vandaar ook een waardeloos voorwerp, prul (De Groene Amsterdammer, 21/07/1912: ‘De paraplu was een klungel! In drie maanden was zij totaal versleten.’).

Zoo’n slecht zakenman, zoo‘n klungel. (De Groene Amsterdammer, 23/02/1929)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klungel* sukkel 1781 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut