Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kluiven - (knabbelen, knagen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kluiven ww. ‘knabbelen, knagen’
Mnl. cluven ‘kluiven’, maar al overdrachtelijk ‘tekeergaan’ in Ente knapen ghinghen cluuen Onder de vriesen ‘en de jongemannen begonnen huis te houden onder de Friezen’ [1328-50; Rijmkroniek], al sijn begeer Van been te clvuen ‘botten om af te kluiven zoveel hij wil’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. kluyuen ‘knagen’ [1599; Kil.].
Mnd. kluven ‘pulken, peuteren’; ohd. klūbōn ‘plukken, rapen’ [10e eeuw; Pfeifer] (nhd. klauben ‘pulken, peuteren’); nfri. kluie ‘kluiven’ (< *klūwia). Wrsch. horend bij → klieven (< pgm. *kleuban-), met ablautende en gerekte stamklinker.
Kluiven is oorspr. een zwak werkwoord, maar kreeg naar analogie van sterke werkwoorden als buigen, stuiven, met ui < pgm. , de sterke vervoeging kloof, gekloven, die oorspr. hoorde bij het werkwoord klieven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kluiven* [met de tanden vlees van bot halen] {clu(y)ven 1451-1500} middelnederduits kluven, oudhoogduits klubon (hoogduits klauben); verwant met klieven, kloven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kluiven ww., mnl. clûven ‘knagen, kluiven’ ook ‘te keer gaan’, sterk ww. maar oorspr. zwak, vgl. mnd. klūven ‘pluizen; kloven’, ohd. chlūbōn (nhd. klauben) ‘uit elkaar plukken’. — Staat naast klieven en kloven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kluif znw. Kil. “kluyve. vetus. j. klauwe. Unguis.” Deze bet. nog in iemand in zijn kluiven hebben. = mnd. klûve “gespleten stuk hout, boei”. Staat in ablaut tot klieven en kloof: zoo ook mnl. clûven “knagen, kluiven”, ook “te keer gaan” (nnl. kluiven), een oorspr. zwak ww. = ohd. chlûbôn (nhd. klauben) “uit elkaar plukken, pluizen”, mnd. klûven “id., klooven”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kluiven o.w., Mnl. cluven: z. kluif.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kluiven ‘met de tanden vlees van bot halen’ -> Fries kluve ‘met de tanden vlees van bot halen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kluiven* met de tanden vlees van bot halen 1451-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut