Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kluit - (massa, klont)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kluit zn. ‘klomp, homp’
Mnl. omdat hij enen man mit cluten worp ‘omdat hij iemand met aardkluiten bekogelde’ [1328-36; MNW], mit sneecluyten warpen ‘met sneeuwballen gooien’ [1472; MNW sneeclute]; vnnl. kluytte (met de aantekening Hollands en Fries), klotte ‘klont, homp’ [1599; Kil.].
Mnd. klute ‘kluit’; nfri. klute ‘id.’; oe. clūt ‘lap; plat stuk metaal’ (ne. clout ‘lap, vod’); nijsl. klútr ‘lap, vod’, nzw. klut ‘vod; zeil’; < pgm. *klūta-. Daarnaast staat pgm. *klūda-, waaruit oe. clūd ‘steen, rotsblok’ (me./ne. cloud ‘wolk’; de oorspronkelijke betekenis kan algemener ‘klont, kluit’ geweest zijn). Beide stammen horen ablautend bij → kloot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kluit1* [massa, klont] {clute 1357} middelnederduits klute, oudengels clut [lap], oudnoors klútr [vod]; nevenvormen zijn kluut, kliet; ablautend bij kloot. De uitdrukking iemand met een kluitje in het riet sturen [iem. met een mooi praatje afschepen] is letterlijk ‘iem. met zijn boot in het riet doen belanden’ door middel van een middelnederlands clute, cluyt, dat wil zeggen ‘een grap, een aardigheid, een zotternij’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kluit 1 znw. m. v. ‘klomp’, mnl. clûte v. ‘bal, kluit, klont’, mnd. klūte ‘id’, oe. clūt m. ‘lap, blaadje metaal’ (ne. clout), on. klūtr m. ‘lap, vod’. — Het staat abl. naast kloot.

Het woord heeft ook de bet. van ‘klucht’, vgl. mnl. clûte. Evenals bij klucht moet men uitgaan van een bet. ‘brok, stuk’. Gelijksoortige betekenissen ontwikkelden woorden als mop en bak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kluit I (klomp), mnl. clûte v. “bal, kluit, klont”. = mnd. klût(e) m. “id.”, ags. clût m. “lap, blaadje metaal” (eng. clout), on. klûtr m. “lomp, vod”. Ablautend met kloot. Kluit, mnl. clûte v. “klucht” is hetzelfde woord; voor de bet. vgl. klucht; ook uit allerlei andere grondbett. ontstaat de bet. “klucht, grap”, vgl. mop, bak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kluit 1 v. (klomp), Mnl. clute + Mndd. klûte, Ags. clút (Eng. clout), On. klútr, Zw. klut, De. klud), vertoont den verlengden zwakken graad (klut) van den Germ. wrt. kleut = klomp, van welks sterken graad (klaut), kloot afgeleid is, en die een uitbreiding van den wortel van kluwen.

kluit 2 v. (munt), hetz. w. als kluit 1; vergel. geldstuk.

kluit 3 v. (klucht), Mnl. clute, hetz. als kluit 1; voor de bet. cf. klucht 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kluut (zn.) kluit; Middelnederlands clut <1328>.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

kluitje In de betekenis ‘borrel’ alleen gevonden in een Bargoens woordenboekje uit 1937. Waarschijnlijk ontstond de naam als prijsaanduiding. Kluit betekende indertijd in de dieventaal onder meer ‘halve stuiver’. Waarschijnlijk is de borrelnaam kluitje dan ook oorspronkelijk een prijsaanduiding. Die indruk wordt versterkt door de Vlaamse uitdrukking een kluitje doen voor ‘elk een stuiver uitleggen, om een flesch jenever te halen’. Kluitje was in de 19de eeuw in Vlaanderen een gangbare naam voor een grote koperen munt. In sommige streken werd er een ‘stuiver’ mee aangeduid, elders een ‘dubbeltje’. De betekenis ‘borrel’ is overigens niet in het Vlaams aangetroffen.
Vergelijk stuiverglas.

[Bolhuis 85; Schuermans 258, & Bijv. 165; WNT XI 317]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kluit ‘massa, klont’ -> Fries klute ‘groep, menigte; grote hoeveelheid’; Duits dialect Kleute, Klöite ‘hoop, schare, menigte’; Frans dialect clûte; klüp, glüp; cloitre ‘kogel van gehakte steenkool, gekneed met leem; kleverige, leemachtige aarde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kluit* massa, klont 1357 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1191. Hij is (goed) uit de kluiten gegroeid (of gewassen),

d.w.z. hij is flink gegroeid, is lotig (V. Schothorst, 168). De uitdr. is oorspr. gebruikt van boomen of planten, die flink uit de aarde (vgl. Lucelle, vs. 2133) opgroeiden, en later bij overdracht ook op personen toegepast. In het begin der 18de eeuw vinden we haar bij Spaan, 270: Dat het (stadhuis) niet hooger uit de grond of kluiten stond; S.v. Rijndorp, Derde Meydag of Verhuystijd, 1708, bl. 10:

En 't is een keerel uyt den kluyten,
Die als een kaatsbal op kan stuyten.

Bij Halma lezen we, bl. 272: Uwe dogter groeit braaf uit de kluiten, votre fille grandit à merveilles; Sewel, 398: Zij groeit lustig uit de kluiten, she grows pretty tall; Harreb. I, 418; De Arbeid, 11 Febr. 1914, p. 3 k. 3: Daarin wordt flink opgegeven van den vooruitgang der afdeeling Rotterdam, van een afdeeling die flink uit de kluiten begint te groeien; Het Volk, 7 Febr. 1914, p. 5 k. 4: De sociaaldemokratie is daar plotseling stevig uit de kluiten gewassen; fri. fiks ut e kluten sketten (opgeschoten).

1191. Hij is (goed) uit de kluiten gegroeid (of gewassen),

d.w.z. hij is flink gegroeid, is lotig (V. Schothorst, 168). De uitdr. is oorspr. gebruikt van boomen of planten, die flink uit de aarde (vgl. Lucelle, vs. 2133) opgroeiden, en later bij overdracht ook op personen toegepast. In het begin der 18de eeuw vinden we haar bij Spaan, 270: Dat het (stadhuis) niet hooger uit de grond of kluiten stond; S.v. Rijndorp, Derde Meydag of Verhuystijd, 1708, bl. 10:

En 't is een keerel uyt den kluyten,
Die als een kaatsbal op kan stuyten.

Bij Halma lezen we, bl. 272: Uwe dogter groeit braaf uit de kluiten, votre fille grandit à merveilles; Sewel, 398: Zij groeit lustig uit de kluiten, she grows pretty tall; Harreb. I, 418; De Arbeid, 11 Febr. 1914, p. 3 k. 3: Daarin wordt flink opgegeven van den vooruitgang der afdeeling Rotterdam, van een afdeeling die flink uit de kluiten begint te groeien; Het Volk, 7 Febr. 1914, p. 5 k. 4: De sociaaldemokratie is daar plotseling stevig uit de kluiten gewassen; fri. fiks ut e kluten sketten (opgeschoten).

1192. Iemand met een kluit(je) in het riet sturen,

d.w.z. iemand met een mooi praatje afschepen, hem den mallen dijk opzenden (17de eeuw), hem met een santje uit de kapel zenden (zuidndl.). De zegswijze komt in de 18de eeuw voor in Willem Leevend V, 132 en VII, 341; verder bij Harreb. I, 148; Het Volk, 30 Oct. 1913, p. 5 k. 2: Dat de Raad als 't ware wordt afgescheept met allerlei praatjes, met een kluitje in 't riet wordt gestuurd; 3 Febr. 1914, p. 5 k. 2; 25 April 1914, p. 1 k. 4; De Arbeid, 31 Jan. 1914, p. 4 k. 2: De steller van genoemd artikel verwijt mijn broer dat hij met een kluitje in 't riet is gestuurd; Nkr. VII, 1 Febr. p. 4, enz.; Afrik. iemand met 'n kluitjie in die riet stuur. Misschien wil kluitje hier zeggen kleinigheid en vandaar eene nietige uitvlucht, een onbeteekenend praatje, zooals het 18de-eeuwsche klommerDe Jager, Frequ. II, 258. Mag hiermede het VI. klommel, klungel, vergeleken worden? en kakkerlakje; eig. een onbeduidend insekt, maar ook een ‘uitvlucht’; vgl. Sewel, 374: hy zogt het met een kakkerlakje (uitvlugtje) goed te maaken. In het riet sturen is van zich afduwen, op zij schuiven, zoodat de geheele zegswijze, op deze wijze verklaard, hetzelfde beteekent als het vroeger gebruikelijke iemand met een (soet) praatje afzettenAnderen denken aan het I7de-eeuwsche kluit(je) = grap(je), een woord dat in West-Vlaanderen en ook in het Kaap-Hollandsch in dien zin nog gebruikt wordt. Nog andere verklaringen vindt men in Noord en Zuid VII, 175; X, 349; Navorscher 53, 707.. Het is evenwel ook mogelijk dat men heeft willen zeggen: door 't gooien van een kluitje een schip naar den kant doen gaan; fig. iemand met een middel, dat er eigenlijk niet voor deugt en er niet geschikt voor is, toch op zij doen gaan, van zich afschuiven, iemand met een houtje van den kant duwen (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIII, 132.), zoodat de zegswijze dan te vergelijken is met een (iemand) lubben met een beenen mesje, plumbeo jugulare gladio, est futili levique argumento convincere quempiam (Sart. II, 5, 85); iemand met een vossestaart het hoofd afzagen (zie Kluchtspel II, 153).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut