Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kluis - (afgesloten bergruimte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kluis zn. ‘afgesloten bergruimte’
Mnl. cluse ‘kluizenaarsverblijf, monnikskluis’ in closteren ende clusen [1265-70; VMNW], ‘afgesloten ruimte’ in alden dach in clusen ‘de hele dag in een afgesloten kamer’ [1400-50; MNW], lasaruse daer hi lach in sine cluse ‘Lazarus, toen hij in zijn grafkelder lag’ [1486-88; MNW-R]; vnnl. kluis ‘brand- en inbraakvrije ruimte of kast’ in in ysre kist en kluys [1659; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn clūsa ‘gesloten ruimte’, nevenvorm van Latijn clausa ‘id.’, vrouwelijk verl.deelw. van claudere ‘afsluiten’, zie → klooster.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kluis [cel, brandkast] {cluse [kluis, kluizenaarshut] 1265-1270} middelnederduits klūse, oudhoogduits chlūsa, oudengels clūse < middeleeuws latijn clusa, clausa [afgesloten ruimte, kloostercel], van latijn claudere [afsluiten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kluis znw. v., mnl. clûse v., mnd. klūse, ohd. chlūsa (nhd. klause) ‘kluis, kluizenarij, bergengte’, oe. clūse ‘bergengte; ingesloten ruimte, gevangenis; grendel’ < mlat. clūsa naast clausus. — In de bet. ‘kluisgat’ (scheepsterm) > russ. kljuz, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 47.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kluis znw., mnl. clûse v> = ohd. chlûsa (nhd. klause), mnd. klûse v. “kluis, kluizenarij, bergengte”, ags. clûse v. “bergengte, ingesloten ruimte, gevangenis, grendel”. Uit mlat. clûsa, v. van het deelw. clûsus “gesloten”, — naast clausus. Het v. van clausus is ontleend als mhd. klôse v. “kluis”, welke vorm reeds ohd. was blijkens ohd. klôsinâri m. “kluizenaar”. Hiernaast sedert het Mhd. klûsenære (nhd. klausner) = mnl. clûsenâre, -ere (nnl. kluizenaar), mnd. klûsenere m. “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kluis v., Mnl. cluse, gelijk Ohd. klûsa (Mhd. klûsa, Nhd. klause), Ags. clúse, uit Lat. clusam (-a) = beluik, smalle ruimte, een zelfst. gebr. v.d. van cludere, vorm dien claudere aanneemt in composita (z. kluister). In kluisgat hetz. w. met bet. smalle doorgang.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kluis s.nw.
1. (ongewoon) Afgesonderde klein huisie, hut, vertrek of sel. 2. Vertrek, ruimte of kas wat versterk is om waardevolle items teen brand en inbraak te beskerm.
Uit Ndl. kluis (Mnl. cluse in bet. 1, 1672 in bet. 2).
Ndl. kluis, soos Middelnederduits klûse, Oudhoogduits klûsa en Oudengels clûse, is ontleen aan Middellatyn clusa, clausa 'afgeslote ruimte, kloostersel' uit Latyn claudere 'afsluit'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kluis (Latijn clusa)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kluis ‘brandkast’ -> Fries klûs ‘brandkast’; Indonesisch klés ‘brandkast’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kluis cel, woning van een kluizenaar 1265-1270 [CG Lut.K] <ME Latijn

kluis brandkast 1659 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut