Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klucht - (blijspel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klucht zn. ‘blijspel’
Mnl. kluft ‘afdeling van een rechtsgebied of nederzetting’ in de vier cluften ‘de vier wijken (van Kampen)’ [1356; via MNW], bynnen der clofte van der Elborgh ‘in de buurtschap Elburg’ [1371-1423; MNW], ‘generatie, geslacht’ in opter derder cluft van geboirten ‘in het derde geslacht’ [1456; MNW]; vnnl. clucht ‘verzinsel, bedrog, kletspraatje’ in wel lieue clucht ‘wat een verzinsels’ [1510; WNT], wilt doch mercken sijn valsce cluchten ‘wees toch alert op zijn gemene kletspraatjes’ [1528; WNT], ‘fictief verhaal’ in de samenstelling clucht boeck [1576; WNT], klucht ‘fictief verhaal; toneelstuk, grap’ [1599; Kil.], later vooral ‘vermakelijk toneelstuk’ in Breughels Boertighe Cluchten [1612; WNT], dese vrolycke kluchten [1619; WNT].
Mnd. kluft ‘spleet; afdeling van een rechtsgebied; generatie’; ohd. kluft ‘spleet, kloof’ (nhd. Kluft); ofri. kleft ‘buurtschap’ (nfri. kloft ‘zwerm (vogels); menigte; groep’, naast de Nederlandse ontlening klucht, kluft ‘klucht’); me. clift ‘id.’ (ne. cleft); on. kluft (nzw. klyft); < pgm. *kluf-ti-, afleiding van de nultrap van de wortel van → klieven ‘splijten’.
De oorspr. betekenis is dus ‘het splijten, het scheiden’ en vandaar ‘het gespletene, het afgescheidene; spleet’. In deze algemene betekenissen is het woord in het Nederlands niet geattesteerd, maar de belangrijkste Middelnederlandse betekenis ‘afdeling van een rechtsgebied’, die vooral in het noordoostelijk taalgebied voorkomt, kan hier goed uit verklaard worden, zoals afdeling bij delen.
De betekenis ‘verzinsel; kletspraat’ kwam aanvankelijk alleen bij Zuid-Nederlandse auteurs voor en gaat eveneens terug op de genoemde algemene betekenis. Een vergelijkbare betekenisverbreding is te zien bij bijv.streek (o.a.) ‘gebied’ en ‘laakbare daad’ bij → strijken en → stuk 1 (o.a.) ‘deel; kunstwerk, toneelvoorstelling, product’ bij → stuiken ‘stoten’. De zuidelijke betekenis ontwikkelde zich wrsch. tot ‘fictief verhaal’ en ‘vermakelijk toneelstuk’ en werd in het begin van de 17e eeuw algemeen bekend door de literaire kluchten van enkele invloedrijke schrijvers (Buitendijk 1978). Omdat de betekenis ‘vermakelijk toneelstuk, blijspel’ echter Noord-Nederlands is, is het ook mogelijk dat deze via ‘afdeling, onderdeel van een toneelstuk’ rechtstreeks teruggaat op de algemene betekenis ‘het afgescheidene’ (WNT). Misschien ook o.i.v. mnl. clute ‘grappig toneelstuk’.
Lit.: W.J.C. Buitendijk (1978), hoofdstuk IV van de inleiding op Goede vrydag ofte Het lijden onses heeren Jesu Christi (J. de Decker, 17e eeuw), Culemborg

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klucht* [kort grappig toneelstuk] {clucht, cluft(e) [afdeling van de burgerij, deel van een buurtschap, grap] 1376-1400; de huidige betekenis 1528} behoort bij klieven en betekent oorspr. gedeelte, stuk, toneel‘stuk’, vgl. pièce de théatrekluft.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

klucht

Het woord klucht is verwant met het werkwoord klieven: splijten en betekent dus eigenlijk: het afgespletene, het deel. Het wordt gebruikt voor: gedeelte der burgerij, buurtschap, afgezonderde troep vogels. Maar de gewoonste betekenis is toch die van: dwaas toneelstuk. Vroeger speelde men zulk een klucht altijd na een ernstig stuk en daardoor heeft men wel gemeend dat klucht een verkorting zou zijn van: sotte clucht in de betekenis: het dwaze deel van de gehele voorstelling. Men behoeft echter slechts naar het Frans te kijken om in te zien dat deze verklaring nodeloos ingewikkeld is. In het Frans immers betekent la pièce zowel: het deel als: het toneelstuk. Zo zal klucht ook de betekenis: toneelwerk (van een bepaald karakter) hebben gekregen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klucht 2 znw. v. ‘deel van de mast’, eerst sedert Kiliaen; evenals klucht 1 afgeleid van klieven en dus eig. ‘brok, stuk, deel’.

klucht 1 znw. v. ‘kluchtspel’ (sedert de 16de eeuw), evenals oostfri. klucht, klücht, klüft. Het woord bet. eig. ‘stuk, afdeling’ (vgl. nl. toneelstuk en fra. pièce) en is dus hetzelfde woord als mnl. cluft, clucht (noordnl.) ‘gedeelte, afdeling’, vooral ‘afdeling van de burgerij, deel van een buurtschap of geslacht, generatie’, os. kluht ‘tang’, mnd. kluft, klucht ‘tang; spleet, gespleten voorwerp; afdeling van burgerij of geslacht; crypt’, ohd. chluft ‘tang, schaar, kaarsensnuiter’, ofri. kleft v., klefte o. ‘afdeling van de burgerij’, ne. cleft ‘spleet’. In al deze betekenissen gaat dit woord op die van ‘het klieven, splijten’ en dan ‘het afgespletene’ terug; een afl. van klieven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klucht I (farce), sedert de 16. eeuw = “klucht, grap”. = oostfri. klucht, klücht, klüft “id.”. Er is geen reden om dit woord te scheiden van N.Brab. klócht v. “troep (vogels)”, mnl. (noordndl.) cluft, clucht v. “gedeelte, afdeeling”, vooral “afdeeling van de burgerij, deel van een buurtschap of geslacht, generatie” = ohd. chluft v. “tang, schaar, kaarsensnuiter” (: mhd. nhd. kluft “kloof”), os. kluht v. “tang”, mnd. kluft, klucht v. “id., spleet, gespleten voorwerp, afdeeling (van burgerij, geslacht enz.), crypt” (in deze bet. ook Kil. kluchte, klufte), ofri. kleft v. (klefte o.) “afdeeling der burgerij”, eng. cleft “spleet”: verbaalnomen bij klieven, met de oorspr. bet. “het klieven, splijten”, vandaar o.a. “het afgesnedene, het deel, de afdeeling”. Klucht “grap, klein blijspel” wordt wel opgevat als een verkorting van sotte clucht “het grappige deel van de tooneelopvoering”. Dat is echter niet noodig: evengoed als fr. pièce, ndl. stuk de bet. “drama” heeft gekregen, kan klucht = “kleine comedie” geworden zijn: vgl. ook kluit “klucht”.

klucht II (stuk van een mast), nog niet bij Kil. Bijzondere toepassing van klucht, kluft “brok, stuk, deel”. Zie klucht I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klucht 1 v. (van een mast), Mnl. clucht = afdeeling, Os. klucht = tang + Ohd. kluft = tang, schaar (Mhd. en Nhd. kluft = kloof), Ags. cleft = spleet, Ofri. kleft = afdeeling; van den zw. graad van klieven; de bet. zijn: 1. splijting, 2. gespleten of afgesneden voorwerp, 3. splijt- of snijwerktuig.

klucht 2 v. (grap), is hetz. w. als klucht 1 met een bet. die sedert de 16e eeuw in ’t Ndl., Fri. en Ndd. opkomt uit sotte clucht, waarin klucht 1. met de bet. 2 = tooneelstuk, d.i. deel van een tooneelvertooning (cf. Fr. pièce de théâtre). Hierbij kluchtig = grappig, niet te verwarren met Mnl. cluchtich = verstandig, slim, levendig + Mndd. kluftich, dial. Eng. clifty, alsook Oostfri. klüfer = behendig, Eng. clever = knap, die echter ook bij klucht 1 behooren met de bet. onderscheidingsvermogen, uit bet. 1. (cf. Hgd. gescheit en scheiden, Eng. skill en schelen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

klöch (zn.) blijspel; Nuinederlands klucht <1599>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klucht ‘kort grappig toneelstuk’ -> Duits dialect klüft, klücht, klucht, klüftig, klöcht, klöchtig ‘grappig, onderhoudend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klucht* kort grappig toneelstuk 1528 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut