Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klos - (spoel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klos zn. ‘spoel voor garen; blok(je)’
Mnl. ene linine closse ‘een linnen prop’ [1290; CG II], closs, clos ‘blok, stronk’ [1477; Teuth.]; vnnl. closse ‘blokje’ [1566; WNT], clossen ‘lomperds’ [1566; WNT], klos ‘bal, zaadbal’ [1573; Thes.], klossen ‘spoelen (voor garen)’ [1630; WNT].
Wrsch. ontleend aan Middelhoogduits kloz ‘klomp, homp, massa, houtblok e.d.’ (Nieuwhoogduits Klotz), een variant van Middelhoogduits klōz ‘id.’ (Nieuwhoogduits Kloß), dat dezelfde oorsprong heeft als → kloot.
klossen ww. ‘kant maken’. Vnnl. klossen ‘kant, passementen enz. maken door op klosjes gewonden draden te vlechten’ in borduren, braeyen en klossen ‘borduren, breien en klossen’ [1676; WNT]; nnl. het zy op de handen of op het kussen geklost of gevlochten [1751; WNT]. Afleiding van klos. Tegenwoordig ook vaak als expliciete samenstelling kantklossen [1843; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klos1 [spoel] {clos(se) [bal] 1290} vermoedelijk < middelhoogduits kloz, verwant met kloot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klos znw. m. v., laat-mnl. closse, clos ‘bal, schietbal’ ook ‘klomp, tronk, blok’, bij Kiliaen ook ‘balzak, teelbal’. Indien een oud woord, dan uit germ. *kluþþō, < idg. *gluttā, vgl. oe. clud ‘rotsmassa, heuvel’, ne. cloud ‘wolk’ en gr. gloutós ‘billen’. Maar eerder een jong woord hetzij ontleend uit mhd. klōʒ, hetzij zelfstandige s-formatie naast mnl. clotte (waarvoor zie: kloot).

Het woord werd ontleend in het me. vgl. cloishe (1477), closshe (1495) ‘soort balspel’, vgl. ook cloishbane (1500), vgl. Toll 69-70.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klos znw., later-mnl. clos(se) “bal, rolbal, schietbal”; ook “klomp, tronk, blok”, zooals Teuth. closs? Bij Kil. ook “coleus, testis”. Wsch. ontl. uit mhd. klôʒ m. o.; vgl. kloot.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klos 1 m. (klomp, blok, enz.), met ss uit twee dentalen van denz. wortel als kloot en kluit, met den zwakken graad.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

klos (de, -sen), klosje (het, -s), houten klos voor garen e.d. - Opm.: Andere, kleinere klossen noemt men een kluwen(tje)*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klos ‘spoel; bal of kolf om mee te spelen’ -> Engels † closh ‘in onbruik geraakt slagspel’; Indonesisch kelos ‘spoel’; Javaans kelos ‘spoel; klosjesgaren’; Kupang-Maleis kalós ‘spoel (van vliegertouw)’; Madoerees kēllos, ēllos ‘klos garen’; Makassaars kulôs, kulôsó ‘kluwen garen’; Soendanees kĕlos ‘spoel’; Papiaments klòshi (ouder: lora klosji) ‘spoel’; Sranantongo klos ‘spoel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klos spoel 1630 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut