Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kloot - (in pejoratieve samenstellingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klootzak zn. ‘rotzak’. Vnnl. kloot-sack ‘balzak’ [1644; WNT]; nnl. klootzak (BN) ‘bedrieger’ [1914; Van Dale], ‘sul’ [1920; WNT], “... thans alleen als plat scheldw. voor: ezel, sukkel” [1950; Van Dale]. Samenstelling van → kloot en → zak, met een betekenisontwikkeling tot scheldwoord zoals ook vele andere namen van geslachtsdelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klotenklapper* [scheldwoord, Jan Lul] {na 1950} voor de etymologie vgl. klophengst en barg2.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kloothannes, kloothommel, klootjavaan, klootjoris, klootjurk, klootviool: misselijk persoon. -hommel, -javaan, -viool enz. worden aan een oud scheldwoord zoals kloot* (dat anders aan kracht verliest) gewoon toegevoegd ter versterking. De uitbreidende elementen voegen niets toe aan de betekenis van het woord. Ze zijn dan ook vaak willekeurig gekozen. Oorspronkelijk gaat het hier om scheldwoorden van de marine (zie Onze Taal, september 1988, p. 127). Ze worden eveneens vermeld door Salleveldt (1980, onder zeiklijster). Er bestaat ook een werkwoord kloothannesen (vermeld door Ginneken): ‘Och korporaal, kom hier, ’t lijkt gewoon nergens naar, je staat daar maar te kloothannesse, je moet zèlf je escouade nagaan, dat is mijn werk niet’, en een variant klootviolen (klooien, knoeien, alles fout doen), erg populair onder mariniers.

‘Kloothommel!’ piepte de jongen, met een dichtgeschroefde stem. (Boudewijn van Houten, De ontgroening, 1971)
Tot ineens de slimme Gertrud Mandelbaum de betrokkene in de oren gilde: ‘Klootjurken! Het is helemaal geen bloed! Het zijn ingemaakte kersen!’ (Willy van der Heyde, Orgie in een failliete kroeg. Gepubliceerd in De Nieuwe Clercke, 28/08/1977)
Hé, stomme klootviool, heeft De Beer je piel afgezaagd? (Hans Hoenjet, De Wraakengel, 1989)

klootzak: misselijk persoon; rotzak. Bij Teirlinck (gewestelijk) ook in de zin van bedrieger en plager. Betekent eigenlijk ‘balzak, scrotum’. In geschriften uit 1644 verwijzen clooten en klootsack ondubbelzinnig naar dit mannelijk lichaamsdeel. De ontwikkeling tot scheldwoord en krachtterm is een vrij recent verschijnsel. Dankzij kroeg, kazerne en voetbaltribune doken er een aantal varianten op: klojo*; klojang*; kloothommel* en klotenklapper*. Verwijzingen naar het mannelijk geslachtsdeel (zoals bijv. eikel; klootzak; lul; zak enz.) ontbreken volkomen in landen zoals Duitsland en Spanje. In Duitsland is de anale zone dan weer erg populair bij het schelden (Arschloch; Arsch; Affenarsch enz.). Een en ander wordt uitgebreider uit de doeken gedaan in het juninummer 2004 van Onze Taal. Toen in 1976 een lid van de Kommunistische Eenheidspartij Nederland (KEN) Hans Wiegel tijdens een verkiezingsbijeenkomst plotseling uitschold voor klootzak volgde het laconieke antwoord: ‘Fijn dat u zich even voorstelt! Mijn naam is Hans Wiegel.’

Tenslotte, maar dit is als zeer persoonlijke reactie: die Charles de Blécourt is wel je vrouwenverleider, hè, en bijgevolg ergens een hevige klootzak. (E. du Perron, Brieven aan Marsman. In: Libertinage. Jaargang 1, 1948)
Ga een jaar lang in de rij staan, klootzak! (W.F. Hermans, Paranoia, 1953)

klotenbibber, klotenklapper: zeurkous; onaangenaam persoon; ongemanierde vent. Bij de marine in de betekenis van ‘grote domoor’. Mogelijk van oorsprong soldaten- of marinetaal. De vrouwelijke variant is de kuttenklapper.

Als je zo’n gereformeerde kloteklapper op zondag naar de weg vraagt keert-ie je z’n hol toe, want de Heer wil niet dat-ie je een behoorlijk antwoord geeft. (Paul A. Wilking, De roerige wereld van Pistolen Paul, 1968)
Zeg, klotebibber – de stem van het meisje dat voor het raam had gezeten –, kan dat niet ergens anders? (Harry Mulisch, De verteller, 1970)
Nee, klotebibber, die vent vindt het hartstikke goed! (J.M.A. Biesheuvel, In de bovenkooi, 1972)

droogkloot, droogpruimer, droogscheet, droogstok: saai, vervelend persoon. Bij Bredero lezen we al: ‘Ja siet dese Jan droogh-kloot, hoe ist hier, seck femel-laar?’ Droogkloot verwijst eigenlijk naar een brok klei, een droge kluit (kloot), onder meer gebruikt bij het kloot- en kleiduifschieten (zie Spruijt, 2001). Een droogpruimer is in feite iemand die veel eet zonder erbij te drinken. O. a. opgetekend door Boekenoogen en bij J. ter Gouw (De Volksvermaken, 1871). Zie verder nog Stoett.

In weerwil van ’t geen zij daar straks had ‘wèl beschouwd’, of ‘wèl ingezien’, was die onverwachte uitkomst toch allerverschrikkelijkst; zij had er zoo niets geen idée op gehad, ‘net zooveel, als die onnoozele droogstok.’ Bertus was goed, maar eigenwijs, niet degelijk genoeg. (J.J. Cremer, Daniël Sils, 1856)
Die smerige droogpruimer, die rooie Dommela, die armoedige anarchist was haar Molly niet waard geweest. Zij wou, dat zij hem achter de tralies kon brengen, die bommenwerper met zijn uitgestreken smoel en zijn fluimerig spraakje. (B. Canter, Kalverstraat, 1904)
Toen Vincent in aanraking kwam met Mauve (die aan hem geparenteerd was) zei deze tot hem: ‘Ik heb altijd gedacht, dat ge een droogkloot waart, maar nu merk ik wel, dat dit niet zoo is.’ (De Groene Amsterdammer, 19/07/1914)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klootzak scheldwoord 1908-1924 [WNT klooten]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

740. Naar de haaien gaan of zijn,

d.w.z. te gronde gaan, onherroepelijk verloren zijn, dood zijn (zie o.a. Nkr. II, 17 Mei p. 3; VI, 16 Nov. p. 2; Kmz. 27) of naar de pieren gaan, zooals de Vlamingen zeggen (ook in Twee W.B. 95), naar kapitein Jas gaan (Indië; Harreb. I, 357; Ndl. Wdb. VII, 228). Oorspr. van een over boord gevallen of gezetten matroos gezegd; vgl. het eng. to go to the dogs; hd. vor die Hunde, die Hühner gehen en de synonieme uitdr. naar den kelder gaan of kelderen (in Nkr. VIII, 31 Jan. p. 2), noa beppe's kelder - (Molema, 29), naar grootje -, zijn ouwe moer -, ad patres gaan; naar de pieltjes of pieleendjes (Harreb. III, CXLVI); naar de knoppen, klooten, kwaartjes, vaantjes zijn (Rutten, 115 b; Antw. Idiot. 680; 671; 730; 1308); naar den dieperik gaan; naar den kabeljauw zijn; naar den kabeljauwkelder trekken (= verdrinken; Waasch Idiot. 173 b; 318 a; Ndl. Wdb. VII, 806); naar de kiele zijn (Landl. 6; S. en S. 6); naar 't pierenland, bij Peerken den dood zijnDe Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, bl. 337., naar 't Pierengeland gaan ('t Daghet XII, 142; Tuerlinckx, 500); in 't pîrkesland gân (Woeste, 200 a); na de bômkes gân (Korrespblatt XXIII, 33). Vgl. no. 741.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut