Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kloot - (houten bal; teelbal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kloot zn. ‘houten bal; teelbal’
Mnl. cloet ‘bol, klont’ [1240; Bern.], te gader gedruct in enen cloet ‘samengedrukt tot een klont’ [1276-1300; VMNW], ‘bal, bol, kogel’ in geselen ... met starcken geknochtden rimen ende met blien cloten ‘gesels met sterke geknoopte riemen en loden bollen’ [1290-1310; MNW bliën], i.h.b. ‘(speel)bal’ in tsollen, scaecspel ende met cloeten rollen ‘kolven, schaakspel en met ballen rollen’ [1340-60; MNW-P], en ‘munitie’ in loden cloten ... stienen cloten ‘loden kogels, stenen kogels’ [1419; MNW]; vnnl. clooten ‘zaadballen’ [midden 16e eeuw; WNT], clootkens (verkleinwoord) ‘id.’ [1567; Nomenclator, 37a].
Ohd. klōz ‘klomp, homp, massa, houtblok e.d.’ (mhd. klōz, zie → klos; nhd. Kloß ‘klomp, knoedel’); ofri. klāt ‘hoop (turf)’ (nfri. kloat ‘bal’, kloet ‘vaarboom’, ontleend aan het nnl.); me. cleete ‘stevige klomp hout, wig’ (ne. cleat ‘wig, klamp’); nzw. klot ‘kluit, klomp’; < pgm. *klauta-.
Daarnaast staat ablautend (nultrap) pgm. *klutta-, waaruit: ohd. kloz ‘houten tap, spon’ (nhd. Klotz ‘houtblok’); oe. clott, clot ‘kluit, klont’ (me. clot met nevenvorm clod, later met betekenisdifferentiatie ne. clot ‘klont’ en clod ‘kluit’). Met lange klinker horen hierbij ook pgm. *klūta- en *klūda-, zie → kluit. Een genasaliseerde, maar jonge en weinig verspreide vorm is te vinden in pgm. *klunta-, zie → klont.
Herkomst onduidelijk. De bovengenoemde Germaanse stammen hebben min of meer dezelfde grondbetekenis en horen wrsch. bij elkaar. Op Indo-Europees niveau zijn deze varianten moeilijk te verklaren en mogelijk verwante woorden bestaan slechts in het Balto-Slavisch: Litouws glaũsti ‘aandrukken, samentrekken’ (presensstam glaud-), Russisch glúda ‘klomp, kluit’, Sloveens glûta, glúta ‘klont, gezwel’. Misschien zijn deze woorden dus afkomstig uit een voor-Indo-Europese substraattaal. Verband met → kluwen is onwaarschijnlijk.
Mnl. cloot was een algemeen woord voor een rond voorwerp. In het Vroegnieuwnederlands was kloot met name bij verschillende balspelen het gewone woord voor ‘(speel)bal’. In het hedendaagse Nederlands herinnert de spelnaam klootschieten [1628; WNT klootschieten] daar nog aan. Maar de algemene betekenis, vooral in het meervoud kloten, is nu meestal ‘zaadballen’. Op deze betekenis gaan enkele van onderstaande samenstellingen en afleidingen terug.
klootzak zn. ‘rotzak’. Vnnl. kloot-sack ‘balzak’ [1644; WNT]; nnl. klootzak (BN) ‘bedrieger’ [1914; Van Dale], ‘sul’ [1920; WNT], “... thans alleen als plat scheldw. voor: ezel, sukkel” [1950; Van Dale]. Samenstelling van kloot en → zak, met een betekenisontwikkeling tot scheldwoord zoals ook vele andere namen van geslachtsdelen. ♦ klote bn. ‘ellendig, beroerd’. Nnl. toch klote [1975; WNT Aanv.], in samenstellingen als kloteweer ‘heel slecht weer’ [1974; Koenen]. Het zn. kloot als tussenwerpsel of als bn. gebruikt. ♦ kloten ww. (NN) ‘zaniken, klieren’, (BN) ‘bedriegen, pesten’. Nnl. in dieë jongen zit overal aan te klooten ‘... te knoeien’ [1900; WNT], gij wilt mij 'en bijte klooten ‘je wilt me een beetje voor de gek houden’ [1900; WNT], ‘zaniken, zeuren’ [1974; Koenen]. Afleiding van kloot. ♦ aardkloot zn. ‘aardbol’. Vnnl. den cloot ofte masse vander weerelt [1567; WNT], alle delen des aarden kloots [1618; WNT], aerdtcloot [1629; WNT]. Samenstelling van → aarde ‘wereld’ en kloot ‘bol’. ♦ klootjesvolk zn. ‘gepeupel, het gewone volk’. Vnnl. dit klootjes volck vande vesten, of uyt de slopjes ‘dit klootjesvolk van de wallen of uit de sloppen’ [1612; WNT vest II]. Samenstelling van het verkleinwoord van kloot en → volk. De betekenis van het eerste lid is niet duidelijk. Vnnl. kloot ‘onbeduidend persoon’ is een zeldzame betekenis; WNT denkt daarom aan kloot ‘zaadbal’, hetzij in de zin van ‘iets waardeloos in het algemeen’, hetzij dat klootjesvolk een schimpnaam van intellectuelen was voor ‘volk dat alleen voor het seksuele leeft’. Een vierde mogelijkheid is verwijzing naar de woonomstandigheden: ‘volk dat op een klootje/kluitje, in de dichtbevolkte wijken leeft’, vergelijkbaar met steegjesvolk en vestjesvolk ‘het arme volk uit de steegjes resp. uit de buurt van de stadswallen’, termen met een oudste attestatie bij dezelfde auteur (Bredero) als klootjesvolk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kloot* [(teel)bal] {cloot [klomp, kluit, bol, bal, kogel] 1201-1250} middelnederduits klot [(ook) teelbal], oudhoogduits klōz, oudfries klāt, oudengels cleat [klamp]; ablautend met kluit1, met t afgeleid van de stam van kluwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kloot znw. m., mnl. cloot m. ‘klomp, kluit, bol, bal, teelbal, kogel’, mnd. klōt m. ‘klomp, kluit, bal, teelbal’, ohd. chlōʒ, ‘klomp, kluit, bal, bol’, oe. clēat ‘klamp’. — Germ. *klauta, gaat terug op idg. *gleud-, gloud-, vgl. russ. glúda ‘klomp, kluit’, lit. glaudžiù, glaũsti, lett. glaũst ‘iets nauw tegen iets aanvlijen’. — Behoort tot de onder kalf 1 behandelde groep.

Abl. zijn verder germ. *klūta, waarvoor zie: kluit en *klŭtta, vgl. mnl. clotte ‘kluit, klomp’, mhd. kloz m. o. (nhd. klotz) ‘kluit, klomp, blok’, ne. clot ‘kluit, klont’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kloot znw., mnl. cloot m. “klomp, kluit, bol, bal, teelbal, kogel”. = ohd. chlôʒ m. “klomp, kluit, bal, bol” (nhd. kloss), mnd. klôt m. “id., teelbal”, eng. cleat “klamp”: wgerm. *klauta-, ablautend met kluit I. Een t- (idg. d-)afl. van de basis van kluwen: vgl. russ. glúda “klomp, kluit”. Een derde ablautvorm is nog mnl. clotte, Kil. klot(te) “kluit, klomp” (nog dial.), mhd. kloz m. o. “id., blok” (nhd. klotz m.), eng. clot “kluit, klonter” uit *gludnó-, of *gludon-, *gludn-. Volgens sommigen is oi. gola- “kogel, bol” uit *gloda- ontstaan en identisch met kloot. Vgl. ook lit. glaudùs bij kluwen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kloot. Adde: ofri. klât m. ‘kluit, klomp’, en bij de ablautvormen mnl. clotte enz.: ags. clott ‘klomp, massa’; voor de idg. grondvormen * gludnó- enz. vgl. bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kloot m. (klomp, bal), Mnl. cloot + Hgd. klosz, Eng. cleat: z. kluit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kloet (zn.) zaadbal; Nuinederlands cloot <1550>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kloot: vervelende, saaie, onaangename vent. In oude kluchten wordt dit woord veelal in samenstellingen aangetroffen: een arme, domme, saaie enz. kloot.

Kloot, (stud.), vervelend, onaangenaam of onbeduidend mensch. (Taco De Beer & Dr. E. Laurillard, Woordenschat, 1899)
Ofwel zijt gij een geslepen leugeneer, ofwel zijt gij de onnoozelste kloot die hier ooit in den amigo gezeten heeft. (Ernest Claes, Kobeke, 1933)
Nu rest hem het isolement, weg van de domme kloten. (Vrij Nederland, 30/08/2003)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kei. Voor Vlaanderen kent Mullebrouck (1984) de verwensing kus mijn kei! Met de letterlijke betekenis van kei ‘rolsteen’ heeft deze verwensing niets te maken. Kei is hier gebruikt in de zin van kloot. De verwensing drukt minachting uit en kan weergegeven worden met ‘je kunt mij wat, maak dat je wegkomt’.

klos. Een correspondent uit Mechelen maakt melding van mijn klos kust ze! Het gaat hier om een uitroep van minachting. Die letterlijke betekenis van klos is ‘teelbal’. Die betekenis is verzwakt tot ‘ga weg, donder op’.

kloten. In het hedendaags Nederlands betekent het werkwoord kloten ‘leuteren, vervelend zijn’ of ‘bedriegen, foppen’. Die betekenis treffen wij niet aan in de West-Brabantse verwensing ze moesten je kloten! Ik ga voor de letterlijke betekenis van dat kloten uit van ‘iemand van zijn kloten, ballen beroven’. De emotionele betekenis van de verwensing duidt op minachting en kan weergegeven worden met ‘donder op’. → breken, schop.

kloot. De verwensing dat hij naar de kloten loopt! geeft uitdrukking aan een wens of verlangen van de spreker. Je kunt van mijn part naar de kloten lopen drukt afkeer en minachting uit, getuige ook de betekenis ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Hetzelfde geldt voor kus(t) mijn kloten!; je kunt mijn kloten kussen! en voor krijg de krampen in je/uw kloten!, een verwensing die vooral in Vlaanderen veel gebruikt wordt. Voor Mechelen werd nog opgegeven mijn kloten kust ze! Andere Vlaamse varianten zijn volgens Mullebrouck (1984): kus(t) de bok zijn kloten!; ge zijt een mooie kloot, maar ge moest onder een ezel hangen! en kus(t) de kloten van Herodes, ze hangen achter Pilatus’ deur! In de verwensing loop naar de klote!, die ons opgegeven werd door een correspondent uit Gent, ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij de betekenis van klote- in samenstellingen als klotewijf en klotevent. Klote- betekent daar ‘vervelend, onaangenaam’, loop naar de klote! betekent dan zoveel als ‘loop naar iets onaangenaams, bijvoorbeeld naar de verdoemenis’. Als uitroep komt ook vaak voor klote! De emotionele waarde ervan is gelijk aan die van kut. In De kleine blonde dood [1985] van Boudewijn Büch komt voor de hele wereld kan de kloten krijgen! Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen mijn kloten pieroo! Wat Pierrot, de hansworst, hier doet is niet duidelijk. Waarschijnlijk gaat het om de klankexpressieve waarde van het woord. De emotionele betekenis kan weergegeven worden met ‘bekijk het maar, rot op’. In geval van woede wenst men zijn vijanden uit minachting alle kwalen van de wereld toe. Dat blijkt eens te meer in een variant van het verwensingsvers stik, verrek, verrot, verteer enz. Daarin komt de regel voor val in sloten, breek je kloten, sterf! Deze verwensing maakt lawaai als waanzinnig geworden aardewerk. Courant zijn niet alle verwensingen die Mullebrouck voor Vlaanderen opgeeft. Onderzoek in 1999 onder 111 Vlamingen leerde bijvoorbeeld dat slechts 9 zegslieden kust de kloten van Herodes, ze hangen achter Pilatus’ deur! kenden, terwijl 11 vertrouwd zijn met ge zijt een mooie kloot, maar ge moest onder een ezel hangen!doodvallen, hangen, hond, klos, kramp, kunnen, kussen, kut, lepra, lopen, Mina.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kloot ‘bal, bol, kluit; teelbal; knop boven op een mast’ -> Fries kloat ‘bal’; Duits Klöten ‘teelballen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens klod ‘planeet, de aarde’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors klode ‘hemellichaam, planeet’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds klot ‘bal, bol’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins klooti ‘bal, bol’ ; Frans dialect clotet ‘bal van modder of sneeuw, die zich tijdens het lopen onder de hak vormt’; Russisch klot, klótik ‘vlaggenknop van een mast’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kloot* teelbal 1550 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kloten hebben, informeel voor ‘durf, lef hebben’. Oorspronkelijk alleen van toepassing op personen, nu ook op zaken (film; muziek enz.).

Deze film is veel affer. En hij heeft nog steeds kloten. (Haagse Post, 13/05/89)
We maken ook een krant met kloten. (Elsevier, 21/03/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut